ECLI:NL:CRVB:2012:BV3825
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht
Appellant ontving bijstand vanaf 3 oktober 2000 en werd onderzocht na een melding over niet-gemelde erfenis en geldstromen van zijn zus en een derde persoon. Het college trok de bijstand in over de periode 3 oktober 2000 tot 1 september 2006 en vorderde de kosten terug wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt recht op bijstand te hebben gedurende de periode, mede omdat hij contante bedragen niet kon verifiëren en de financiële overzichten onvolledig waren.
De dyslexie van appellant werd niet als bijzondere omstandigheid erkend die afwijking van het beleid rechtvaardigt. Ook werd geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel vastgesteld, ondanks eerdere intrekking van bijstand per 1 september 2006. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.