ECLI:NL:CRVB:2012:BV6400
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- E.J.M. Heijs
- W.H. Bel
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand en terugvordering wegens schending inlichtingenverplichting
Betrokkenen ontvingen sinds 2003 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een aanvraag voor bijzondere bijstand in 2008 onderzocht het college kasstortingen op de bankrekeningen van betrokkenen. Hierbij werden substantiële bedragen gestort die niet afdoende konden worden verklaard. Het college trok de bijstand met ingang van 1 januari 2007 in en vorderde de kosten van bijstand terug tot een bedrag van €24.566,67.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkenen gegrond en vernietigde het besluit van het college, stellende dat het recht op bijstand wel vastgesteld kon worden op basis van de stortingen. Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat betrokkenen niet aannemelijk hadden gemaakt dat de stortingen leningen waren, noch dat de opgegeven bron van de gelden betrouwbaar was. Hierdoor bleef onduidelijkheid bestaan over de herkomst van middelen.
De Raad stelde vast dat de schending van de inlichtingenverplichting ertoe leidt dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Daarom vernietigde de Raad het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkenen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkenen tegen het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt ongegrond verklaard.