ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0666
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- O.L.H.W.I. Korte
- M. Hillen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht
Appellant ontving bijstand over diverse perioden en maakte geen melding van meerdere bankrekeningen waarop kasstortingen plaatsvonden. Na onderzoek door de sociale recherche bleek dat appellant gelden ontving die niet waren opgegeven, waaronder kasstortingen en buitenlandse geldopnames. Het college trok de bijstand over de periode 2000-2007 in en vorderde de kosten terug wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en beperkte de intrekking en terugvordering tot de maanden met kasstortingen, maar verwierp het beroep tegen de afwijzing van de langdurigheidstoeslag. Appellant voerde aan dat de kasstortingen leningen waren van kennissen en zijn broer, maar kon dit niet aannemelijk maken met verifieerbare bewijsstukken.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college terecht de gelden als middelen heeft aangemerkt en niet als leningen, omdat appellant onvoldoende bewijs leverde van daadwerkelijke schulden. Gezien de schending van de inlichtingenplicht kon het recht op bijstand over de maanden met kasstortingen niet worden vastgesteld, waardoor intrekking en terugvordering gerechtvaardigd zijn.
Het hoger beroep faalt en de Raad bevestigt het bestreden besluit en verklaart het beroep tegen het besluit van 5 juli 2011 ongegrond. De afwijzing van de langdurigheidstoeslag blijft eveneens gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking en terugvordering van bijstand wordt verworpen en de afwijzing van de langdurigheidstoeslag bevestigd.