ECLI:NL:CRVB:2012:BV6487
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving sinds 1996 bijstand als alleenstaande. Naar aanleiding van een anonieme tip en signalen uit 2005 en 2007 startte de sociale recherche een onderzoek naar de woonsituatie van appellant en [K.]. Het college trok bijstand in over de periode van 16 januari 2000 tot 20 november 2003 en herzag de bijstand vanaf 21 november 2003 naar de gehuwdennorm, omdat appellant en [K.] een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat sprake was van gezamenlijke huishouding vanaf 21 juli 2002. Appellant ging in hoger beroep en betwistte dit standpunt. De Raad concludeerde dat er voldoende feitelijke grondslag is voor het standpunt van het college, mede gebaseerd op verklaringen van appellant en [K.], huisbezoeken, buurtverklaringen en waterverbruikgegevens.
Appellant voerde aan dat hij misleid was door de sociale recherche en dat hij niet vrijelijk zijn verklaring had afgelegd, maar kon dit niet aannemelijk maken. Ook de verklaringen van buurtbewoners en het waterverbruik ondersteunen het standpunt van het college. Daarnaast is vastgesteld dat sprake was van wederzijdse zorg tussen appellant en [K.], wat het criterium van gezamenlijke huishouding bevestigt.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door voorzitter C. van Viegen en leden J.J.A. Kooijman en E.J. Govaers op 21 februari 2012.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant en [K.] een gezamenlijke huishouding voerden en wijst het hoger beroep af.