Art. 8:75 AwbWet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging arbeidsongeschiktheidsuitspraak bij 15-25% beperking ondanks carpaal tunnelsyndroom
Appellant, werkzaam als productiemedewerker, ontving sinds 2001 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordeling in 2008 werd zijn mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 15 tot 25%. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij door een dubbelzijdig carpaal tunnelsyndroom meer beperkingen ondervond dan erkend, ondersteund door een rapport van een neuroloog uit 2010.
De rechtbank benoemde een onafhankelijke deskundige die concludeerde dat appellant ondanks beperkingen aan nek en linkerarm in staat was om de geduide functies 40 uur per week te verrichten. De Centrale Raad van Beroep volgt dit oordeel en ziet geen reden om af te wijken van het deskundigenrapport, mede omdat het carpaal tunnelsyndroom pas na de datum in geschil werd vastgesteld.
De Raad overweegt dat de aanvullende medische stukken geen aanwijzingen bevatten voor meer beperkingen op de datum van beoordeling. Ook de vermeende onjuistheden in het deskundigenrapport over reflexen worden niet bevestigd door de medische gegevens. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant met een arbeidsongeschiktheid van 15-25% in staat is de geduide functies te verrichten en verklaart het beroep ongegrond.
Uitspraak
10/6268 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 13 oktober 2010, 09/171 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 24 februari 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. Ph.C. Kleyn van Willigen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2012. Appellant is verschenen en bijgestaan door zijn gemachtigde mr. A.F. van den Berg, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert, werkzaam bij het Uwv.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was werkzaam als productiemedewerker. Hij heeft zich in mei 2000 ziek gemeld als gevolg van psychische klachten. Aan appellant is met ingang van 9 mei 2001 een uitkering op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% en uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De uitkering is nadien, bij besluit op bezwaar van 29 december 2006, vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% per 13 september 2005. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden door de uitspraak van de Raad van 4 maart 2009 (LJN BH4972).
1.2. Appellant heeft zich op 22 mei 2006 ziek gemeld vanwege nekklachten links en linkerarmklachten vanuit een situatie waarin hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving alsmede de in 1.1 vermelde uitkering. Appellant is in het kader van de beoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd - 19 mei 2008 - onderzocht door verzekeringarts W.R. Roelink op 4 maart 2008. Onder het stellen van de diagnosen surmenage, discopathie cervicaal/HNP C5-C6 en bulging disc C6-C7 links en artrose aan de linkerschouder met impingement, legde deze verzekeringsarts een aantal beperkingen vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst van 5 maart 2008 (FML). Bij het arbeidskundig onderzoek werd bij functieduiding een loonverlies vastgesteld van 17,20%. Op grond hiervan heeft het Uwv bij besluit van 13 mei 2008 appellant onveranderd arbeidsongeschikt geacht naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij besluit op bezwaar van 15 januari 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant ongegrond verklaard, zij het op grond van deels andere aan de schatting ten grondslag gelegde functies.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft neuroloog J.B.M. ten Holter benoemd als deskundige. In een rapport van 3 mei 2010 komt deze deskundige tot conclusies die stroken met het medische oordeel van het Uwv. De deskundige constateert beperkingen ten aanzien van het gebruik van de nek en de linkerarm. Hij acht de FML juist en hij acht appellant in staat de geduide functies gedurende 40 uur per week te verrichten. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen reden is om de deskundige niet te volgen in zijn standpunt.
3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Ter onderbouwing van het beroepschrift heeft appellant een op zijn verzoek opgesteld rapport van 29 december 2010 overgelegd van neuroloog
A.A.J. Ramdhani-Joosten. Uit dit rapport blijkt dat sprake is van een carpaal tunnelsyndroom beiderzijds en dat appellant wordt verwezen naar de plastisch chirurg. Appellant is van oordeel dat er als gevolg van het dubbelzijdig carpaal tunnelsyndroom beperkingen zijn ten aanzien van het gebruik van beide handen. De geduide functies zijn om die reden niet passend. Voorts herhaalt appellant de in beroep reeds aangevoerde grond dat het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige een onjuiste weergave van de onderzoeksresultaten geeft. Dat rapport vermeldt dat de bicepspeesreflex links lager was dan rechts terwijl tijdens het onderzoek van de deskundige de genoemde reflex nihil was. Anders dan de deskundige in het rapport vermeldt, is er wel degelijk sprake van krachtverlies en sensibele stoornissen aan de linkerarm. Tot slot heeft appellant een rapport van revalidatiearts Wagenaar van 14 december 2011 en een rapport van reumatoloog Colin van 17 oktober 2011 overgelegd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt voorop dat naar vaste jurisprudentie het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. De Raad ziet in het onderhavige geval geen aanleiding op grond van bijzondere omstandigheden van dit beginsel af te wijken. Dit betekent dat de Raad, evenals de rechtbank heeft gedaan, de deskundige volgt in zijn conclusie dat appellant op 19 mei 2008 beperkingen ondervond zoals omschreven in de FML van 5 maart 2008 en met deze beperkingen in staat was de geduide functies te verrichten gedurende 40 uur per week.
4.2. Het rapport van 29 december 2010 van neuroloog Ramdhani-Joosten kan hier niet aan afdoen. De neuroloog rapporteert op grond van een onderzoek op 16 december 2010 en constateert - naast de nekklachten uit 2007 - dat nu ook sprake is van carpaal tunnelachtige klachten, welke beiderzijds worden bevestigd door onderzoek. Het rapport bevat geen aanknopingspunten om aan te nemen dat deze klachten reeds aanwezig waren op de datum in geding. Dit strookt met het feit dat appellant, blijkens het rapport van verzekeringsarts Roelink van 5 maart 2008, op dat moment slechts melding heeft gemaakt van tintelingen in de linkerhand. Op grond daarvan is appellant op het onderdeel hand- en vingergebruik in de FML van 5 maart 2008 beperkt geacht links. Het strookt ook met het feit dat neuroloog Ramdhani-Joosten in een brief van 24 april 2007 geen melding maakt van klachten aan de handen. Ook in een brief van 18 juni 2007 maakt de neuroloog geen melding van klachten aan de handen. De behandelend orthopedisch chirurg doet dat evenmin in een brief van 17 november 2008.
4.3. De brief van revalidatiearts Wagenaar van 14 december 2011 vermeldt de bevindingen van een onderzoek op 2 december 2011, te weten dat er geen hulpvraag op revalidatiegeneeskundig gebied is. De brief biedt geen aanknopingspunten voor het aannemen van meer beperkingen op de datum in geding, 19 mei 2008. Hetzelfde geldt voor de brief van reumatoloog Colin van 17 oktober 2011 met de bevindingen - chronische tendomyalgene klachten en geen tekenen van reumatologische inflammotoire ziekte - van een onderzoek van dezelfde datum.
4.4. Met betrekking tot de grond dat de door de rechtbank benoemde deskundige de bevindingen van het onderzoek onjuist heeft weergeven in het rapport, overweegt de Raad als volgt. Appellant stelt zich op het standpunt dat de bicepspeesreflex links nihil was tijdens het onderzoek terwijl het rapport van de deskundige slechts vermeldt dat de bicepspeesreflex links lager was dan rechts. De Raad ziet met de rechtbank geen aanleiding het rapport van de deskundige op dit punt onjuist te achten. De bevindingen van de behandelend neuroloog stroken met het rapport van de deskundige. Neuroloog Ramdhani-Joosten meldt in een brief van 24 april 2007 dat neurologisch onderzoek op 29 maart 2007 uitwijst dat sprake is van symmetrisch normale reflexen. Ook na de datum in geding is sprake van een bicepspeesreflex: neuroloog Ramdhani-Joosten meldt in het rapport van 29 december 2010 dat de bicepspeesreflex beiderzijds laag opwekbaar is. De Raad is van oordeel dat hetgeen de behandelend neuroloog in 2007 en 2010 heeft geconstateerd temeer reden is om niet te twijfelen aan de juistheid van hetgeen de deskundige op dit punt heeft gerapporteerd.
5. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Awb inzake de vergoeding van de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2012.