ECLI:NL:CRVB:2012:BV7176

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6599 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 18 WWBArt. 24 WWBArt. 25 WWBArt. 3 Toeslagenverordening WWB Purmerend
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek verhoging bijstand wegens verblijfstitel echtgenoot en gezinsleven

Appellante, samenwonend met haar echtgenoot zonder verblijfstitel en kinderen, ontvangt bijstand volgens de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%. Zij verzocht om verhoging naar de gehuwdennorm of een hogere toeslag, maar het college wees dit af omdat haar echtgenoot geen recht heeft op bijstand. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep stelt appellante dat het niet verhogen van haar uitkering een inbreuk maakt op haar gezinsleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro, mede omdat zij haar echtgenoot niet kan uitsluiten uit haar verzorging. De Raad toetst dit aan de relevante bepalingen van de WWB en de toeslagenverordening.

De Raad oordeelt dat de norm voor alleenstaanden met een toeslag van 10% passend is, en dat toekenning van de gehuwdennorm niet mogelijk is zolang de echtgenoot geen recht op bijstand heeft. Verder vormt deze regeling geen inbreuk op artikel 8 EVRM Pro, mede vanwege de ruime beoordelingsvrijheid van de staat bij publieke middelen en het vreemdelingenbeleid. Ook blijkt dat de kinderen financieel bijdragen aan de noodzakelijke kosten.

Daarom wordt het hoger beroep van appellante afgewezen en blijft de eerdere uitspraak in stand. Er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de bijstand blijft vastgesteld naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%.

Uitspraak

10/6599 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 oktober 2010, 10/2714 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (college)
Datum uitspraak: 28 februari 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.H. Kruseman, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 09/4622 WWB en 10/6600 WWB plaatsgevonden op 6 december 2011. Voor appellante is verschenen mr. J. Klaas, kantoorgenoot van mr. Kruseman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.G. van der Eijk. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante is met haar echtgenoot en kinderen in 1997 vanuit Afghanistan naar Nederland gekomen. Appellante en haar kinderen hebben inmiddels de Nederlandse nationaliteit, maar de echtgenoot van appellante heeft geen verblijfstitel. Appellante ontvangt bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%.
1.2. Op 19 januari 2010 heeft appellante verzocht om bijstand naar de norm voor gehuwden dan wel om de toeslag op haar bijstandsuitkering te verhogen.
1.3. Bij besluit van 29 januari 2010, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 25 mei 2010, heeft het college de verzoeken van appellante afgewezen. Het college stelt zich daarbij op het standpunt dat, omdat de echtgenoot van appellante geen aanspraak kan maken op bijstand, er geen aanleiding is bijstand naar de norm voor gehuwden te verlenen. Verder is het college van oordeel dat appellante gelet op de bepalingen van de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand (Verordening) terecht een toeslag ontvangt van 10%.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 25 mei 2010 ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen deze uitspraak gekeerd. Het gezin van appellante leeft onder het in Nederland aanvaarde maatschappelijk minimum. Van appellante kan en mag niet worden verlangd dat zij haar echtgenoot de deur wijst. De Staat erkent niet dat appellante ook haar echtgenoot moet verzorgen van haar uitkering. Dit levert strijd op met artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1. In artikel 18, eerste lid, van de WWB is bepaald dat het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
4.1.2. In artikel 24 van Pro de WWB is bepaald dat indien één van de gehuwden geen recht op algemene bijstand heeft, voor de rechthebbende echtgenoot de norm gelijk is aan de norm die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.
4.1.3. Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de WWB verhoogt het college de norm van de uitkering met een toeslag voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. Deze toeslag bedraagt maximaal 20% van de gehuwdennorm.
4.1.4. De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de WWB bedraagt blijkens artikel 3, tweede lid, van de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2010 van de gemeente Purmerend, 10% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf heeft en die derhalve de noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen.
4.2. Appellante heeft recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Omdat de echtgenoot van appellante geen recht heeft op bijstand, verzet artikel 24 van Pro de WWB zich tegen toekenning van bijstand naar de norm voor gehuwden. Voorts heeft het college naar het oordeel van de Raad overeenkomstig de Verordening de toeslag van appellante op 10% gehandhaafd. Dit wordt ook niet door appellante betwist. Appellante stelt dat het niet verhogen van haar bijstandsuitkering een inbreuk vormt op de uitoefening van haar gezinsleven. De Raad overweegt daaromtrent het volgende.
4.3. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 22 december 2008, LJN BG8776, heeft overwogen, merkt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) respect voor de menselijke waardigheid en menselijke vrijheid aan als de “very essence” van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM). Indien sprake is van omstandigheden die tot gevolg hebben dat de normale ontwikkeling van het gezins- en privéleven onmogelijk wordt gemaakt (EHRM 3 mei 2001, Domenech versus Spanje, nr. 55996/00) kan er sprake zijn van een zodanige aantasting van de “very essence” van artikel 8 van Pro het EVRM dat er een positieve verplichting op de staat berust de situatie in overeenstemming te brengen met de in artikel 8 van Pro het EVRM opgenomen waarborg. Daarbij is van belang dat bij de besteding van publieke middelen aan de staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt.
4.4. De Raad is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het verstrekken aan appellante van bijstand naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10% van de gehuwdennorm leidt tot een inbreuk op haar gezinsleven als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM. De Raad hecht bij dat oordeel waarde aan de extra ruime “margin of appreciation”, die de Staat toekomt waar het gaat om de besteding van publieke middelen. Voorts zou inwilliging van het verzoek van appellante een door de wetgever ongewenste doorkruising van het vreemdelingenbeleid betekenen. In het geval van appellante is overigens gebleken dat haar kinderen financieel bijspringen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
4.5. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep van appellante niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2012.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) J. de Jong.
HD