ECLI:NL:CRVB:2012:BV7430
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en werd op grond van een fraudemelding onderzocht door de sociale recherche. Uit het onderzoek en haar eigen verklaring bleek dat zij vanaf 1 juni 2009 tot en met 31 januari 2010 samenwoonde met [L.] en een gezamenlijke huishouding voerde.
Het dagelijks bestuur trok haar bijstand met ingang van 1 juni 2009 in, omdat zij niet langer aanspraak kon maken op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en ook in hoger beroep werd dit oordeel bevestigd.
De Raad hechtte vooral waarde aan de gedetailleerde verklaring van appellante, waarin zij toegaf samen te leven met [L.] als man en vrouw, samen boodschappen te doen en een gezamenlijke huishouding te voeren. Haar stelling dat woorden in haar mond werden gelegd, werd niet aannemelijk geacht. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van de bijstand bevestigd wegens gezamenlijke huishouding.