ECLI:NL:CRVB:2012:BV7450
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg
Appellant vroeg bijstand aan als alleenstaande, maar het college wees de aanvraag af omdat appellant een gezamenlijke huishouding zou voeren met zijn huisgenote. De voorzieningenrechter verklaarde het bezwaar ongegrond en wees het beroep af. In hoger beroep betwist appellant dat sprake is van een gezamenlijke huishouding en stelt dat er geen wederzijdse zorg is.
De Raad beoordeelt dat appellant en zijn huisgenote beiden hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en dat er sprake is van wederzijdse zorg. Dit blijkt uit het feit dat appellant zijn huisgenote woonruimte aanbood uit vriendendienst, zij samen gebruik maken van de woning en voorzieningen, en er een financiële regeling is waarbij de huisgenote boodschappen betaalt. De Raad oordeelt dat deze feiten wijzen op een verbondenheid die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijdt.
De Raad verwerpt het betoog dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was omdat alleen appellant werd gehoord tijdens het huisbezoek. Gezien de objectieve feiten is de conclusie van het college dat sprake is van een gezamenlijke huishouding terecht. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Verzoek om schadevergoeding en proceskosten wordt eveneens afgewezen.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen omdat sprake is van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.