ECLI:NL:CRVB:2012:BV7618
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellanten ontvingen bijstand en een WWIK-uitkering van de gemeente Breda. Naar aanleiding van een vermoeden van gezamenlijke huishouding voerde de afdeling fraudebestrijding een onderzoek uit. Dit leidde tot intrekkingsbesluiten en terugvorderingen van de verstrekte uitkeringen over de periode van november 2006 tot mei 2008.
Appellanten voerden aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voerden en dat de verklaringen onder druk waren afgelegd. Ook stelden zij dat de commissie jarenlang hun situatie had gedoogd, waardoor zij op het vertrouwensbeginsel mochten vertrouwen. De rechtbank verklaarde hun beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
De Raad oordeelt dat uit de verklaringen en onderzoeksbevindingen blijkt dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden, met wederzijdse zorg en gezamenlijk hoofdverblijf. De omstandigheden rondom het pleegouderschap en de motieven van appellanten zijn irrelevant voor de objectieve beoordeling.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat appellanten niet alle relevante informatie aan de commissie hebben verstrekt en de commissie op basis van de beschikbare gegevens mocht besluiten tot intrekking en terugvordering. De hoger beroepen worden verworpen en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand en WWIK-uitkering wegens gezamenlijke huishouding worden bevestigd.