ECLI:NL:CRVB:2012:BV7648
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J.P.M. Zeijen
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar intrekkingsbesluit WAO-uitkering en terugvordering
Appellante ontving een intrekkingsbesluit van het UWV waarbij haar WAO-uitkering met ingang van 1 november 2007 werd ingetrokken. Tevens werd een terugvorderingsbesluit genomen voor ten onrechte ontvangen uitkeringen over de periode november 2007 tot juli 2009.
Appellante maakte bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit binnen de termijn, maar haar bezwaren tegen het intrekkingsbesluit werden pas na de wettelijke termijn kenbaar gemaakt. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen de terugvordering af wegens het ontbreken van dringende redenen die terugvordering in de weg staan.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar bezwaren tegen het intrekkingsbesluit mede in het bezwaarschrift tegen de terugvordering waren opgenomen, verwijzend naar een eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam. De Raad oordeelde echter dat de brief van 4 augustus 2009 alleen betrekking had op het terugvorderingsbesluit en niet op het intrekkingsbesluit, waardoor het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit te laat was ingediend.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat er geen dringende reden was om af te zien van terugvordering. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit is niet-ontvankelijk en het beroep tegen de terugvordering wordt afgewezen.