ECLI:NL:CRVB:2012:BV7865
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit opschorting en intrekking bijstand wegens niet-naleving inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en werd door het college opgeroepen om bankafschriften te overleggen ter beoordeling van haar recht op bijstand. Het college stelde dat appellante niet aan deze verplichting voldeed en schortte en trok de bijstand op die grond op 1 januari 2009 op. Appellante betwistte de ontvangst van een brief waarin zij werd gewaarschuwd en stelde dat zij niet in verzuim was.
De Raad oordeelde dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat de brief van 16 december 2008 was ontvangen, waardoor opschorting met ingang van 1 januari 2009 niet gerechtvaardigd was. Wel was aannemelijk dat het besluit van 16 januari 2009 was ontvangen, waarop appellante niet binnen de gestelde termijn reageerde, zodat opschorting met ingang van 30 januari 2009 rechtmatig was.
Daarnaast stelde het college dat appellante niet op het opgegeven adres woonde, wat zij aannemelijk maakte met huisbezoeken. Dit leidde tot schending van de inlichtingenplicht en rechtvaardigde intrekking van de bijstand met ingang van 1 januari 2009. De Raad vernietigde het bestreden besluit en herroept het besluit van 30 januari 2009, maar laat de intrekking op grond van het niet-wonen op het opgegeven adres in stand.
Tot slot veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van de kosten van appellante voor bezwaar, beroep en hoger beroep.
Uitkomst: Het besluit tot opschorting en intrekking van bijstand wordt vernietigd en herroepen, maar de intrekking op grond van niet-wonen op het opgegeven adres blijft in stand.