ECLI:NL:CRVB:2012:BV7930
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- E.J.M. Heijs
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om kwijtschelding restschuld bijstandsvordering wegens geen verjaring en geen dringende redenen
Appellant had een schuld aan de gemeente Rotterdam wegens ten onrechte ontvangen bijstand in 1994, vastgesteld bij kantonrechterlijke beschikking in 1996. De gemeente vorderde een restantbedrag van €1.525,29, waartegen appellant kwijtschelding verzocht. Dit verzoek werd door het college afgewezen, waarna appellant bezwaar maakte dat eveneens werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de invordering in 2004 was verjaard en dat het college onterecht geen bijzondere omstandigheden had erkend om van het beleid af te wijken. De Raad toetste dit aan artikel 3:324 BW Pro over verjaring van tenuitvoerlegging rechterlijke uitspraken en concludeerde dat door stuitingshandelingen, waaronder betalingen in 1999 en 2000 en een deurwaardersexploit in 2004, de vordering niet was verjaard.
De Raad bevestigde dat het gemeentelijke beleid geen kwijtschelding toestaat bij dwanginvordering en dat geen bijzondere omstandigheden waren aangevoerd om hiervan af te wijken. Ook waren er geen dringende redenen, zoals onaanvaardbare sociale of financiële consequenties, die kwijtschelding rechtvaardigen. De Raad wees erop dat schuldenlast op zichzelf geen dringende reden vormt en dat bescherming via beslagvrije voet bestaat.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding bevestigd.