ECLI:NL:CRVB:2016:317
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M. Hillen
- J.F. Bandringa
- G.M.G. Hink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verjaring bevoegdheid tenuitvoerlegging kantonrechterlijke betalingsbeschikking
In deze zaak staat de vraag centraal welke verjaringstermijn van toepassing is op de tenuitvoerlegging van een kantonrechterlijke beschikking uit 1997 waarbij betrokkene werd veroordeeld tot betaling van een bedrag in maandelijkse termijnen. De kantonrechter had bepaald dat betrokkene maandelijks een bedrag moest betalen totdat een totaal van fl. 6.106,54 was voldaan.
Appellant, het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, legde beslag op een voorlopige teruggave van betrokkene in 2013 en stelde een maandelijkse aflossing vast. Betrokkene stelde dat de vordering was verjaard. De rechtbank oordeelde dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van deze beschikking na vijf jaar verjaart, omdat het een veroordeling tot periodieke betaling betreft zoals bedoeld in artikel 3:324, derde lid, BW. Appellant stelde in hoger beroep dat de verjaringstermijn twintig jaar bedraagt volgens artikel 3:324, eerste lid, BW, omdat het een rechterlijke uitspraak betreft.
De Raad overwoog dat de beschikking van de kantonrechter een veroordeling tot periodieke betaling inhoudt en dat de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 3:324, derde lid, BW daarop van toepassing is. De Raad verwierp het betoog van appellant dat dit artikel alleen ziet op betalingen waarvoor elke periode een nieuwe vordering ontstaat. Ook het aangehaalde arrest van de Hoge Raad uit 2013 en een uitspraak van de rechtbank Arnhem boden geen grond voor een ander oordeel. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Er werden geen proceskosten toegekend aan betrokkene. De Raad legde appellant een griffierecht op. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 januari 2016.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de kantonrechterlijke beschikking verjaart na vijf jaar en wijst het hoger beroep af.