ECLI:NL:CRVB:2012:BV7961
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellante diende een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor inrichtingskosten, welke door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad stelde vast dat de inrichtingskosten tot ongeveer €350,-- waren aangetoond. Inrichtingskosten worden beschouwd als incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten die in principe uit het inkomen op bijstandsniveau moeten worden voldaan, tenzij bijzondere omstandigheden dit onmogelijk maken. Appellante slaagde er niet in aannemelijk te maken dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich voordeden. Haar inkomen was voldoende om te reserveren, ondanks haar schulden en psychische problematiek.
De Raad oordeelde dat schulden en betalingsverplichtingen geen bijzondere omstandigheden vormen in de zin van de WWB. Ook haar traumatische voorgeschiedenis leverde geen grond op voor bijzondere bijstand. Het college had het beleid op consistente wijze toegepast en de situatie van appellante kon niet worden gelijkgesteld met de doelgroep daklozen die opnieuw een woning betrekken.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het beroep af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wordt afgewezen wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.