ECLI:NL:CRVB:2012:BV7987
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WWB ondanks vertraging en hoorplichtgeschil
Appellant en zijn partner ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College herzag de bijstand vanwege niet gemelde Ziektewet-inkomsten en vorderde een bedrag terug. Appellant maakte bezwaar, dat aanvankelijk niet-ontvankelijk werd verklaard wegens termijnoverschrijding, maar de rechtbank vernietigde dit besluit en beval inhoudelijke behandeling.
Na inhoudelijke behandeling verklaarde het College het bezwaar ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de hoorplicht was geschonden omdat zijn gemachtigde niet was uitgenodigd voor de hoorzitting in bezwaar en dat het College te lang had gewacht met het nemen van het terugvorderingsbesluit, waardoor het EVRM werd geschonden.
De Raad oordeelde dat de gemachtigde niet automatisch ook gemachtigde was in de bezwaarprocedure en dat appellant zelf aanwezig was bij de hoorzitting zonder bezwaar te maken over de vertegenwoordiging. Verder is het EVRM-artikel 6 niet Pro van toepassing op de fase voorafgaand aan het terugvorderingsbesluit. Hoewel het College traag handelde, was appellant op de hoogte dat terugvordering zou plaatsvinden en had hij geen aantoonbaar nadeel door de vertraging. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand en wijst het hoger beroep af.