ECLI:NL:CRVB:2012:BV8324
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding onterecht wegens onrechtmatig huisbezoek
Appellant ontving sinds 1996 bijstand en werd in 2009 geconfronteerd met een intrekkingsbesluit van zijn bijstand omdat het college meende dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met een hoofdbewoonster op het adres waar hij woonde. Dit oordeel was gebaseerd op een onaangekondigd huisbezoek waarbij bevindingen werden gedaan over de woon- en leefsituatie.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het huisbezoek onrechtmatig was omdat er geen redelijke grond voor was, geen informed consent was gegeven en dat de onderzoeksbevindingen daarom niet gebruikt mochten worden. De Raad oordeelde dat voorafgaand aan het huisbezoek onvoldoende concrete aanwijzingen waren om dit te rechtvaardigen en dat appellant niet duidelijk was geïnformeerd over de gevolgen van weigering van toestemming.
De Raad stelde vast dat het huisbezoek een inbreuk op het huisrecht vormde en onrechtmatig was. Hierdoor mochten de bevindingen van het huisbezoek niet worden meegewogen. De overige onderzoeksgegevens boden onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Het bestreden besluit en het intrekkingsbesluit werden vernietigd. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd wegens onrechtmatig huisbezoek en onvoldoende feitelijke grondslag.