ECLI:NL:CRVB:2012:BV8532

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-1117 AWBZ-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:88 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid verzoek om herziening wegens te late griffierechtbetaling ongegrond verklaard

Verzoekster heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 mei 2011, waarin haar verzoek om herziening van een eerdere uitspraak niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het te laat betalen van het griffierecht.

De Raad stelde vast dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn van vier weken was ontvangen, ondanks dat verzoekster stelde dat zij meerdere pogingen had gedaan om het griffierecht vanuit Marokko over te maken. Zij overmaakte het bedrag uiteindelijk via een Nederlandse bank, maar dit gebeurde na de termijn.

De Raad gaf verzoekster de gelegenheid om haar stellingen met bewijs te onderbouwen, maar vond op basis van de beschikbare gegevens niet aannemelijk dat zij binnen de termijn pogingen had ondernomen om het griffierecht te betalen.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en het te laat betaalde griffierecht terugbetaald. Partijen waren niet verschenen bij de zitting, en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard vanwege te late betaling van het griffierecht.

Uitspraak

11/1117 AWBZ-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, in verbinding met artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om herziening van:
[Verzoekster], wonende te [woonplaats] (Marokko), (hierna: verzoekster),
van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 december 2008, 07/1875,
in het geding tussen:
verzoekster
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)
Datum uitspraak: 27 februari 2012
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van
17 mei 2011 heeft de Raad het door verzoekster gedane verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van
3 december 2008, 07/1875, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 17 mei 2011 heeft verzoekster verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 16 januari 2012, waar partijen - de Svb met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 17 mei 2011 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 1 april 2011 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat verzoekster niet in verzuim is geweest.
Het griffierecht is door de Raad op 4 mei 2011, en daarmee buiten de gestelde termijn die eindigde op 29 april 2011, ontvangen.
In het verzetschrift heeft verzoekster aangevoerd dat de bank in Marokko twee keer heeft geprobeerd het verschuldigde griffierecht over te maken naar de rekening van de Raad maar dat dit niet is gelukt. Vervolgens heeft verzoekster het bedrag via de ABN AMRO bank in Nederland overgemaakt. Verzoekster heeft een afschrift meegezonden van het overschrijvingsbewijs van 3 mei 2011.
Bij brief van 3 augustus 2011 heeft de Raad verzoekster in de gelegenheid gesteld om haar stelling dat zij verschillende pogingen heeft ondernomen om het griffierecht via de bank in Marokko te betalen, met bewijsstukken te onderbouwen. Verzoekster heeft daarop - wederom - een afschrift van het overschrijvingsbewijs van 3 mei 2011 toegezonden.
De Raad oordeelt dat op grond van de beschikbare gegevens niet aannemelijk is geworden dat verzoekster binnen de gestelde termijn pogingen heeft ondernomen om het griffierecht te betalen.
Nu niet is gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat de uitspraak van de Raad van 17 mei 2011 onjuist is, moet het verzet ongegrond worden verklaard.
Het bedrag van het te laat betaalde griffierecht (€ 107,-) is door de griffier van de Raad aan appellante terugbetaald.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2012.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
TM