ECLI:NL:CRVB:2012:BV8625
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsuitkering wegens niet-wonen op uitkeringsadres
Appellant vroeg op 6 april 2009 bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en gaf als woonadres een adres in Amsterdam op. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam stelde een onderzoek in naar de juistheid van de woonsituatie. Tijdens een huisbezoek op 11 mei 2009 verklaarde appellant wisselend over zijn verblijfplaatsen, waarbij hij aangaf zowel bij zijn zoon in Alkmaar als op het uitkeringsadres te verblijven.
De handhavingspecialisten troffen in de woning persoonlijke eigendommen aan die niet van appellant waren, waaronder kinderartikelen en damesverzorgingsproducten, en appellant kon geen administratie op zijn naam tonen. Het college wees de aanvraag bijstandsuitkering af op 19 mei 2009, omdat appellant niet op het uitkeringsadres woonde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad benadrukte het belang van concrete feiten en omstandigheden bij de vaststelling van het woonadres en oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij gedurende de relevante periode op het uitkeringsadres woonde. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsuitkering wordt bevestigd omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het uitkeringsadres woonde.