ECLI:NL:CRVB:2012:BV8696

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2044 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77a WWArt. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:73 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering verlenging startperiode werkzaamheden tijdens WW-uitkering

Appellant ontving een WW-uitkering en kreeg toestemming van het UWV om werkzaamheden te verrichten in een eigen bedrijf voor een startperiode van 26 weken. Na bezwaar tegen de duur van deze periode werd de einddatum aangepast, maar verlenging van de startperiode werd geweigerd op grond van artikel 77a van de WW.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een verzoek om schadevergoeding af. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de wet niet toestaat om de startperiode langer dan 26 weken toe te kennen en dat het bezwaar tegen de duur van de startperiode daarom niet slaagt.

Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen omdat het beroep ongegrond was. De Raad concludeerde dat appellant op de hoogte was van de regels omtrent werkbriefjes en de duur van de startperiode, en dat het UWV correct heeft gehandeld binnen de wettelijke kaders.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de startperiode niet verlengd kan worden en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

11/2044 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 februari 2011, 10/1386 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 7 maart 2012
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2012. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Vis.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant ontving vanaf 1 juni 2009 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 30 oktober 2009 (besluit I) heeft het Uwv appellant toestemming verleend om werkzaamheden te verrichten in een eigen bedrijf. Deze toestemming is verleend voor de periode van 2 november 2009 tot en met 16 mei 2010. In dat besluit is ook vermeld de verplichting om zogenoemde werkbriefjes te blijven opsturen. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt, omdat het opsturen van werkbriefjes een grote belemmering voor de start van zijn onderneming - een import- en exportbedrijf van halal producten - zou kunnen zijn.
1.2. Bij besluit van 5 februari 2010 (besluit II) heeft het Uwv de einddatum van de toestemming gewijzigd in 2 mei 2010. In dat besluit is niet meer de verplichting genoemd om werkbriefjes in te zenden. Appellant heeft in een brief van 8 februari 2010 het Uwv verzocht om, gezien zijn financiële situatie, de periode van de toestemming te verlengen.
1.3. Bij besluit van 19 februari 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard op de grond dat niet kan en mag worden afgeweken van de in artikel 77a van de WW genoemde maximale periode van 26 weken waarover toestemming voor een startperiode verleend kan worden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank laat de wet niet toe de startperiode verder te verlengen dan 26 weken na de ingangsdatum van de startperiode. Over een verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank geoordeeld dat schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet kan worden toegewezen omdat het beroep ongegrond is.
3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad verwijst voor het toepasselijk wettelijk kader naar de aangevallen uitspraak. Hij komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Het hangende bezwaar genomen besluit II wijzigt besluit I in die zin dat de verplichting tot het inzenden van werkbriefjes is komen te vervallen en dat de einddatum van de startperiode is gesteld op 26 weken na de ingangsdatum. Daarmee is tegemoet gekomen aan het bezwaar tegen de volgens appellant ten onrechte opgelegde verplichting. Besluit II komt echter niet tegemoet aan het bezwaar tegen de duur van de periode waarover toestemming is verleend. Anders dan appellant stelt zijn de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb hier van toepassing.
4.2. De bij besluit I gegeven toestemming was verleend vanaf 2 november 2009 en kon bij het bestreden besluit niet, zoals appellant met zijn bezwaar tegen de duur van de startperiode beoogde, worden verlengd tot 8 augustus 2010, omdat artikel 77a, eerste lid, van de WW aan het opnieuw verlenen van toestemming vanaf 5 februari 2002 voor 26 weken in de weg staat. Het betoog van appellant dat hij feitelijk geen gebruik heeft kunnen maken van de startperiode- nog daargelaten welke betekenis de juistheid van die stelling voor de werkelijk vastgestelde duur van de startperiode kan hebben- slaagt niet. Uit het bezwaarschrift blijkt dat appellant wist dat het Uwv vanaf januari 2009 geen werkbriefjes meer toezond aan personen die WW-uitkering ontvingen. Het beroep is terecht door de rechtbank ongegrond verklaard.
4.3. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst is er geen ruimte om het in hoger beroep herhaalde verzoek om schadevergoeding toe te wijzen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2012.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) Z. Karekezi.
CVG