ECLI:NL:CRVB:2012:BV8915
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- R.H.M. Roelofs
- M. Hillen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en niet-duurzaam gescheiden leven
Appellant was tot 15 juni 2005 gehuwd met [A.], die bijstand ontving als alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een vermoeden van samenwoning heeft de Dienst Werk en Inkomen een onderzoek ingesteld, waaruit bleek dat appellant en [A.] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en geen duurzaam gescheiden leven voerden.
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam besloot daarom de bijstand van [A.] over de periode van 12 februari 2005 tot 9 augustus 2007 in te trekken en de kosten van bijstand van € 37.156,41 mede van appellant terug te vorderen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij slechts een kamer als opslagruimte gebruikte en dat de getuigenverklaringen onjuist waren. De Raad oordeelde echter dat de verklaringen van buurtbewoners consistent en gedetailleerd waren en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt elders te hebben verbleven.
De Raad bevestigde dat appellant en [A.] niet duurzaam gescheiden leefden en een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor het college bevoegd was de terugvordering mede op appellant te baseren. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van bijstand mede van appellant bevestigd.