ECLI:NL:CRVB:2012:BV8917
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- R.H.M. Roelofs
- M. Hillen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking bijstand wegens onjuiste maatstaf gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder vanaf 12 februari 2005. Het college stelde op basis van een onderzoek dat zij samenwoonde met haar ex-echtgenoot [S.] en trok de bijstand in over de periode 12 februari 2005 tot 9 augustus 2007, met terugvordering van €37.156,41. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat [S.] zijn hoofdverblijf had in haar woning en dat de rechtbank getuigenverklaringen onjuist had gewogen. De Raad oordeelde dat het college onterecht het criterium gezamenlijke huishouding toepaste over de periode tot 15 juni 2005, omdat appellante en [S.] toen nog gehuwd waren en het oordeel over duurzaam gescheiden leven had moeten worden betrokken.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor de periode 12 februari 2005 tot 15 juni 2005, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. Voor de periode daarna was er voldoende bewijs dat appellante en [S.] een gezamenlijke huishouding voerden. De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten aan appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd voor de periode 12 februari 2005 tot 15 juni 2005, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het college wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.