ECLI:NL:CRVB:2011:BP3464
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag bijstand bij detentie echtgenoot en vermogen in buitenland
Appellante, gehuwd met een man die in Marokko werd gedetineerd, deed meerdere aanvragen om bijstand op grond van de WWB. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvragen af of stelde ze buiten behandeling vanwege onduidelijkheid over het vermogen van haar echtgenoot in het buitenland.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Appellante stelde dat zij duurzaam gescheiden leefde van haar man en dat zij niet in staat was om gegevens over zijn vermogen te verstrekken, of dat de verstrekte gegevens recht op bijstand rechtvaardigden.
De Raad oordeelde dat detentie van de echtgenoot niet automatisch leidt tot duurzaam gescheiden leven, zeker niet als de echtgenoten geen verbreking van de samenleving hebben nagestreefd. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat de man niet over zijn onroerend goed in Marokko kon beschikken. Bovendien was het taxatierapport onvoldoende om de waarde van het onroerend goed vast te stellen.
Daarom was appellante tekortgeschoten in haar inlichtingenplicht, waardoor haar recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd omdat appellante niet duurzaam gescheiden leeft en onvoldoende informatie over het buitenlandse vermogen heeft verstrekt.