ECLI:NL:CRVB:2012:BV8998
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding vanaf 1 mei 2007
Betrokkene 1 ontving bijstand sinds 2003 en stond ingeschreven op een adres te Rotterdam. Betrokkene 2 stond ingeschreven op andere adressen. Naar aanleiding van een anonieme melding startte de sociale recherche een onderzoek naar mogelijke gezamenlijke huishouding en rechtmatigheid van de bijstand.
De gemeente Rotterdam trok bijstand in en vorderde terugbetaling wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond voor gezamenlijke huishouding vanaf 1 mei 2007 en vernietigde de besluiten van de gemeente.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt anders: vanaf 1 mei 2007 hadden betrokkenen hun hoofdverblijf op hetzelfde adres en voerden zij een gezamenlijke huishouding, wat blijkt uit verklaringen van betrokkenen en getuigen. Voor de periode vóór 1 mei 2007 is onvoldoende bewijs voor gezamenlijke huishouding. De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand vanaf 1 mei 2007, en draagt de gemeente op nieuwe besluiten te nemen over de periode daarvoor.
De Raad veroordeelt de gemeente in de proceskosten van betrokkenen en stelt vast dat beroep in cassatie openstaat tegen de toepassing van het begrip gezamenlijke huishouding.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand vanaf 1 mei 2007 wordt bevestigd; voor de periode daarvoor worden de besluiten vernietigd en herroepen.