ECLI:NL:CRVB:2012:BV9329
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens onwerkbaar weer voor binnendienstmedewerkers bij vorstperiode
Betrokkenen, werkzaam als commercieel en administratief medewerkers binnendienst bij een betonproductenbedrijf, vroegen een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer aan voor de vorstperiode in de winter van 2009/2010. De werkgever had hen bij toerbeurt naar huis gestuurd wegens terugloop van werk door vorst en aanvragers kregen geen loon doorbetaald.
Appellant, het UWV, wees de aanvragen af omdat de werkgever volgens hem loondoorbetalingsplicht had vanwege het indirecte gevolg van vorst. De rechtbank vernietigde deze besluiten en beval hernieuwde besluitvorming. In hoger beroep oordeelde de Centrale Raad dat de werkgever terecht geen loon hoefde door te betalen op grond van de cao en de Algemeene machtiging tot werktijdverkorting bij onwerkbaar weer.
De Raad stelde dat artikel 18 WW Pro restrictief moet worden uitgelegd en alleen werknemers die hun werkzaamheden door vorst fysiek niet kunnen verrichten (zoals buitendienstmedewerkers) aanspraak kunnen maken op een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer. Binnendienstmedewerkers die door andere factoren werkloos raken, komen niet voor deze regeling in aanmerking. De aangevallen uitspraken werden vernietigd voor zover zij appellant opdroegen opnieuw te beslissen, maar de rechtsgevolgen van de oorspronkelijke besluiten bleven in stand. Appellant werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De WW-uitkering wegens onwerkbaar weer wordt afgewezen voor binnendienstmedewerkers die niet uitsluitend door vorst werkloos zijn.