ECLI:NL:CRVB:2012:BV9337
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens onwerkbaar weer voor binnendienstmedewerkers bij vorstperiode
Betrokkenen, werkzaam als medewerkers expeditie binnendienst bij een betonproductenbedrijf, werden tijdens de vorstperiode in de winter van 2009/2010 bij toerbeurt naar huis gestuurd vanwege terugloop van werkzaamheden. Zij vroegen een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer aan, welke door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant) werd afgewezen omdat de werkloosheid een indirect gevolg was van de vorst en de werkgever volgens de cao geen loondoorbetalingsplicht had.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkenen gegrond en vernietigde de besluiten, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak voor zover appellant opnieuw moest beslissen op de bezwaren. De Raad stelt dat de werkgever op grond van de Algemeene machtiging tot werktijdverkorting bij onwerkbaar weer geen ontheffing hoefde te vragen voor het tijdelijk stopzetten van werkzaamheden, ook niet voor binnendienstmedewerkers.
De Raad benadrukt dat artikel 18 van Pro de WW, dat recht geeft op uitkering bij werkloosheid uitsluitend als gevolg van vorst, restrictief moet worden uitgelegd. Alleen werknemers die fysiek door vorst gehinderd worden in het uitvoeren van hun werkzaamheden in de buitenlucht komen hiervoor in aanmerking. Werknemers in de binnendienst, die wel arbeid kunnen verrichten maar voor wie geen werk beschikbaar is, vallen hier niet onder. De cao sluit loondoorbetaling uit bij onwerkbaar weer, ook voor binnendienstmedewerkers. Daarom is het besluit van appellant om de WW-uitkering te weigeren juist.
Uitkomst: Betrokkenen hebben geen recht op een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer omdat hun werkloosheid niet uitsluitend het gevolg is van vorst.