ECLI:NL:CRVB:2012:BV9372
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening bijstandsuitkering en terugvordering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontvangt sinds 1995 bijstand en werd geconfronteerd met een herziening van zijn uitkering en terugvordering over de periode 2006-2007 vanwege niet gemelde kasstortingen op zijn bankrekening. Het college stelde dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting had geschonden door deze stortingen niet te melden.
Appellant voerde aan dat de kasstortingen niet tot zijn middelen behoorden, omdat een deel contant van zijn vader was ontvangen om rekeningen te betalen. De Raad oordeelde echter dat appellant onvoldoende objectieve en verifieerbare informatie had verstrekt over de herkomst van de stortingen. Tegenstrijdigheden in verklaringen over leningen en het ontbreken van bewijs van terugbetaling ondermijnden zijn stellingen.
De Raad concludeerde dat de stortingen als middelen in de zin van de WWB moeten worden beschouwd, waardoor het college terecht de bijstand herzag en de ten onrechte verleende kosten terugvorderde. De maatregel van 100% korting gedurende één maand werd niet apart beoordeeld omdat deze afhankelijk was gesteld van de herziening.
Het hoger beroep slaagde niet, en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de bijstand en terugvordering worden bevestigd.