ECLI:NL:CRVB:2012:BV9894

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-7038 AWBZ-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:87 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wijziging voorlopige voorziening in AWBZ-zorgzaak

Verzoeker had een voorlopige voorziening toegewezen gekregen om zorg te ontvangen conform een indicatie van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Verzoeker vroeg om wijziging van deze voorziening omdat de geleverde zorg ongeschikt zou zijn. De voorzieningenrechter constateerde dat verzoeker de aangeboden zorg niet gebruikte en dat zorgaanbieders meerdere keren opname hadden aangeboden die verzoeker weigerde. Hoewel er gedragsproblemen waren bij een zorgaanbieder, bleef deze bereid tot opvang.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet gaat om een ideale toekomstige oplossing, maar om een toereikende voorziening in afwachting van de uitspraak in de hoofdzaak. Daarom zag hij geen reden om de voorlopige voorziening te wijzigen. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.

De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep op 16 maart 2012, na een zitting en aanvullende schriftelijke informatie over de detentie van verzoeker. Het verzoek om wijziging van de voorlopige voorziening werd afgewezen.

Uitkomst: Verzoek om wijziging van de voorlopige voorziening wordt afgewezen; oorspronkelijke voorziening blijft van kracht.

Uitspraak

11/7038 AWBZ-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van voorzieningenrechter van de de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 juli 2011, 11/1156 en 11/1157 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
Zilveren Kruis Achmea Zorgverzekeringen N.V., gevestigd te Rotterdam, (hierna: Zorgkantoor)
Datum uitspraak: 16 maart 2011
I . PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 9 september 2011, LJN BT1738, is het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen.
Op 4 december 2011 heeft verzoeker de Raad verzocht de voorlopige voorziening te wijzigen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2012. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak onder nummer 11/7035 WMO-VV. Voor verzoeker is verschenen mr. E.C. Cerezo-Weisenfeld, advocaat en kantoorgenoot van mr. Fischer en S. van [D.]. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. T.R.M. van Helmond, advocaat. Na de sluiting van het onderzoek zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN.
1.1. De voorzieningrechter verwijst voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden naar voornoemde uitspraak van 9 september 2011, waarbij het verzoek om een voorlopige voorziening is toegewezen. Het Zorgkantoor dient de in het besluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) van 7 april 2011 geïndiceerde zorg te verlenen met ingang van 9 september 2011 tot de uitspraak van de Raad in de hoofdzaak (11/4653).
1.2. Verzoeker heeft verzocht de voorlopige voorziening te wijzigen, omdat de door het Zorgkantoor geleverde zorg ongeschikt is gebleken. De zorgaanbieders Dimence en het Leger des Heils kunnen weliswaar het door CIZ geïndiceerde zorgzwaartepakket GGZ05C realiseren, maar bij het Leger des Heils zijn door het gedrag van verzoeker problemen ontstaan en voor een opname in de instelling Dimence vindt verzoeker zich te goed. De voorziening dient te worden gewijzigd in de zin dat het Zorgkantoor verzoeker in aanmerking brengt voor ambulante zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
1.3. Ter zitting is gebleken dat verzoeker inmiddels is gedetineerd, waarbij het partijen niet duidelijk was tot wanneer deze detentie zou voortduren. In verband hiermee heeft de voorzieningenrechter partijen verzocht hem ter zake nader te informeren, waarna zonder een nadere zitting uitspraak zal worden gedaan. Bij brieven van 1 maart 2012 en 9 maart 2012 hebben partijen nadere informatie verstrekt, waarbij onder meer is gebleken dat de detentie van verzoeker eindigt op
16 maart 2012.
2.1. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
2.2. Ter zitting is gebleken dat verzoeker van de door het Zorgkantoor geboden zorg geen gebruik maakt. Het Zorgkantoor heeft aangegeven dat de door de voorzieningenrechter in de uitspraak van 9 september 2011 getroffen voorlopige voorziening voor verzoeker beschikbaar blijft. Dimence heeft verzoeker meerdere keren een opname aangeboden binnen een van de afdelingen in Zwolle, maar dit is door verzoeker keer op keer geweigerd. Bij het Leger des Heils is de opvang wegens het gedrag van verzoeker beëindigd, maar ook het Leger de Heils is bereid verzoeker opnieuw op te vangen. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen reden de getroffen voorlopige voorziening te wijzigen. Het gaat in de gegeven omstandigheden niet om een idealiter voor verzoeker geschikte toekomstige oplossing, maar uitsluitend om de vraag of in afwachting van de uitspraak een toereikende voorziening beschikbaar is.
3. De voorzieningenrechter acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING.
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:87 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2012.
(get.) H.J. de Mooij.
(get.) P.J.M. Crombach.
HD