ECLI:NL:CRVB:2012:BV9896
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging van gesubsidieerde arbeidsplaats wegens onvoldoende bijdrage aan arbeidsinschakeling
Appellante was sinds 1996 werkzaam als assistent peuterleidster op een gesubsidieerde arbeidsplaats. Het college besloot de subsidie te beëindigen omdat uit een assessment bleek dat appellante na oktober 2007 in staat zou zijn regulier werk te vinden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar deed dit op een niet in het besluit neergelegde grond, wat strijdig was met de wet.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde de uitspraak van de rechtbank en beoordeelde zelf of het college zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat de voorziening niet langer bijdroeg aan arbeidsinschakeling. Het college had een lange afbouwperiode gehanteerd en diverse ondersteuningsvormen aangeboden, waarvan appellante niet alle volledig had benut. Ook had zij zich beperkt beschikbaar gesteld door vast te houden aan een specifieke sector.
De Raad oordeelde dat het college terecht had besloten de voorziening te beëindigen en dat er geen rechtens te honoreren toezeggingen waren dat de voorziening zou worden voortgezet. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, waarbij het college werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de gesubsidieerde arbeidsplaats wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.