ECLI:NL:CRVB:2012:BW0461
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beperking bijstandsverlaging tot één maand wegens eigen toedoen bij beëindiging arbeidsovereenkomst
Appellanten ontvingen bijstand en appellant was aangemeld voor een re-integratietraject. Hij werkte twee dagen per week bij een werkgever maar beëindigde de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd. Het college verlaagde de bijstand met 100% voor twee maanden wegens het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid door eigen toedoen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de duur van de verlaging gegrond en beperkte deze. In hoger beroep betoogden appellanten dat het werk vanwege medische beperkingen niet passend was en dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan, alsmede dat er onvoldoende rekening was gehouden met gezinsomstandigheden en het IVRK.
De Raad oordeelde dat appellanten de bewijslast dragen om aan te tonen dat het werk niet passend was, wat zij niet aannemelijk maakten met objectieve medische gegevens. Het college hoefde daarom geen nader onderzoek te verrichten. De Raad bevestigde dat sprake was van verwijtbaarheid en recidive, waardoor de verlaging wettelijk twee maanden zou moeten duren, maar dat het college de duur tot één maand mocht beperken gezien de omstandigheden.
De Raad verwierp verder de bezwaren over belangenafweging en het IVRK. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsverlaging wegens het niet behouden van arbeid wordt beperkt tot één maand.