ECLI:NL:CRVB:2014:1849
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- J.P.M. Zeijen
- M. Hillen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens niet behouden algemeen geaccepteerde arbeid door eigen toedoen
Appellante was tot juli 2011 in dienst bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek en kreeg na een vaststellingsovereenkomst eervol ontslag. Zij vroeg bijstand aan met ingang van 15 oktober 2011. Het dagelijks bestuur kende bijstand toe vanaf die datum, maar legde een verlaging van 100% gedurende een maand op omdat appellante door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet had behouden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze maatregel ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de ingangsdatum van de bijstand onjuist was vastgesteld en dat het dagelijks bestuur zich schuldig maakte aan détournement de pouvoir door de maatregel op te leggen en te handhaven, mede omdat het dagelijks bestuur ook haar voormalige werkgever was.
De Raad oordeelde dat de ingangsdatum correct was vastgesteld conform het aanvraagformulier en dat de e-mail van 10 oktober 2011 onvoldoende was om een eerdere ingangsdatum te rechtvaardigen. Appellante kon niet aannemelijk maken dat zij geen verwijt trof voor het niet behouden van haar arbeid, ondanks de problemen in de arbeidsrelatie. De verlaging van de bijstand was daarom terecht en proportioneel volgens de geldende verordening.
Het dagelijks bestuur handelde niet in strijd met het verbod op détournement de pouvoir; de maatregel was niet gebaseerd op oneigenlijke motieven en het feit dat het dagelijks bestuur ook werkgever was, werd adequaat ondervangen door behandeling van de aanvraag door een andere gemeente. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 100% gedurende een maand wordt bevestigd; het beroep wordt afgewezen.