ECLI:NL:CRVB:2012:BW0468

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5121 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toerekening WGA-uitkering aan eigenrisicodrager ondanks beroep op vertrouwensbeginsel

Appellante was eigenrisicodrager voor de WGA vanaf 1 juli 2008 en werd door het UWV medegedeeld dat zij verantwoordelijk was voor de betaling van de WGA-uitkering aan een voormalige werkneemster. Appellante maakte bezwaar tegen dit toerekeningsbesluit en het daarop volgende verhaalsbesluit, waarbij zij stelde niet op de hoogte te zijn gebracht van het toekenningsbesluit en dat haar was toegezegd geen inlooprisico te lopen.

De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelt dat het beroep op het vertrouwensbeginsel alleen kan slagen indien er ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan door een bevoegd bestuursorgaan, wat hier niet is gebleken.

Verder overweegt de Raad dat de beginselen van behoorlijk bestuur pas een rol spelen in de fase van verhaal van de uitkering en niet bij het toerekeningsbesluit zelf. De Raad wijst erop dat de bezwaarprocedure tegen het verhaalsbesluit niet correct is doorlopen, maar dat dit niet tot vernietiging van het bestreden besluit leidt. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het toerekeningsbesluit bevestigd.

Uitspraak

10/5121 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 augustus 2010, 09/1968 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 30 maart 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E.P.W.A. Bink, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2012. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. R.H.L. Janssen-Niehoff.
II. OVERWEGINGEN
1.1. [Naam werkneemster] (de werkneemster) is bij appellante in dienst geweest. Op 19 januari 2005 is de werkneemster voor haar werkzaamheden uitgevallen. Bij besluit van 4 december 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat voor de werkneemster met ingang van 17 januari 2007 op grond van artikel 54 van Pro de Wet WIA recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering (toekenningsbesluit). Een afschrift van dat toekenningsbesluit is aan appellante toegezonden.
1.2. Met ingang van 1 juli 2008 is appellante eigenrisicodrager voor de WGA.
1.3. Bij brief van 26 mei 2009 heeft het Uwv appellante een aankondiging gedaan over de met ingang van 1 juli 2008 bestaande betalingsverplichting inzake de vanaf die datum door hem voorgeschoten WGA-uitkering. Appellante heeft schriftelijk en telefonisch op deze aankondiging gereageerd.
1.4. Bij besluit van 30 juni 2009 heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat zij met ingang van 1 juli 2008 eigenrisicodrager voor de WGA is geworden en de WGA-uitkering van de werkneemster moet betalen (toerekeningsbesluit). Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.
1.5. Bij besluit van 6 augustus 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante de aan de werkneemster betaalde WGA-uitkering over de periode van 1 juli 2008 tot 1 augustus 2009 ten bedrage van € 7.524,15 dient terug te betalen (verhaalsbesluit).
1.6. Bij brief van 11 augustus 2009 heeft appellante nogmaals bezwaar gemaakt tegen het toerekeningsbesluit.
1.7. Op 25 augustus 2009 heeft de directeur van appellante, G.P. de [J.], telefonisch contact met het Uwv gehad. Daarvan is door het Uwv de volgende notitie gemaakt:
“In zijn bezwaarschrift vraagt de heer de [J.] om uitleg/onderbouwing van het besluit 30-6-2009. Aangegeven dit schriftelijk volgende week te geven. Een week na dagtekening bel ik hem en bespreken we of hij een hoorzitting wil. Meneer wilt een bevestiging van ons gesprek, toegezegd deze te sturen. Meneer vindt het verder erg onredelijk dat we terugvorderen zeker na 1,5 jaar, zal tot de hoge raad gaan, zal het UWV op kosten jagen etc.. Meneer vindt het ook absurt dat UWV niet waarschuwt bij inlooprisico om wie en welke uitkeringen en bedragen het gaat. Daarnaast heeft hij met iemand gesproken die had gezegd dat de uitkering van mevrouw [naam werkneemster] niet op hem verhaald zou worden. Hij weet niet meer wie het was.”
1.8. Bij brief van 7 september 2009 heeft het Uwv appellante nadere uitleg over het toerekeningsbesluit gegeven. Tevens is appellante - onder verwijzing naar het in 1.7 weergegeven telefoongesprek - gewezen op de mogelijkheid van bezwaar tegen het verhaalsbesluit.
1.9. Bij besluit van 30 september 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het toerekeningsbesluit ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat appellante sinds 1 juli 2008 eigenrisicodrager is voor de WGA, dat daaronder ook het zogenaamde inlooprisico valt en dat het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.
3.1. In hoger beroep heeft appellante het oordeel van de rechtbank bestreden. Naar haar mening dient de Raad de aangevallen uitspraak te vernietigen en haar beroep alsnog gegrond te verklaren.
3.2. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat appellante destijds niet op de hoogte is gebracht van het toekenningsbesluit.
3.3. Appellante heeft verder betoogd dat haar bij het aanvragen van het eigenrisicodragerschap door het Uwv is toegezegd dat zij geen (inloop)risico liep.
3.4. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat het onfatsoenlijk en onacceptabel is dat appellante met terugwerkende kracht dient op te draaien voor het inlooprisico.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Vaststaat dat de werkneemster op 19 januari 2005 in dienst was bij appellante. Niet gebleken is dat in dit geval niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor toerekening aan appellante van de door het Uwv sedert 1 juli 2008 aan de werkneemster betaalde WGA-uitkering. Dat appellante van het WGA-toekenningsbesluit eerst bij brief van
26 mei 2009 op de hoogte zou zijn gebracht - de Raad kan en zal dat in het midden laten - maakt dat niet anders.
4.3. Volgens vaste rechtspraak kunnen eerst in de fase van verhaal van de door het Uwv aan de werkneemster betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering op de eigenrisicodrager de beginselen van behoorlijk bestuur een rol spelen, dus niet in het kader van het bezwaar en beroep tegen het toerekeningsbesluit. Uit de aangevallen uitspraak komt naar voren dat de rechtbank een verdergaande toetsing heeft verricht. Toch zal de Raad niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak overgaan. Daarbij is het volgende van belang. In lijn met zijn uitspraak van 9 december 2003 (LJN AO0729) had geen rechtsregel eraan in de weg gestaan om de hiervoor in 1.7 weergegeven telefoonnotitie, waarin de mededeling van appellante schriftelijk waren vastgelegd, tevens als geschrift aan te merken, waarin het mondeling kenbaar gemaakte bezwaar van appellante tegen het verhaalsbesluit was vastgelegd, en had de bezwaarprocedure kunnen dienen tot herstel van het aan de betreffende notitie klevende gebrek dat daarop niet was aangetekend dat dit tevens een bezwaarschrift is en had appellante alsnog de gelegenheid kunnen worden geboden dit als bezwaarschrift te ondertekenen. Vervolgens had het Uwv dan een besluit op bezwaar dienen te nemen, dat ook betrekking had op het verhaalsbesluit.
4.4. In het kader van finale geschilbeslechting zal de Raad - strikt genomen: ten overvloede - toch het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel (als ware er ook een besluit op bezwaar tegen het verhaalsbesluit) beoordelen. Dat beroep slaagt niet. Zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraak op zich met juistheid heeft overwogen kan een dergelijk beroep eerst slagen, indien door of namens een tot beslissen bevoegd bestuursorgaan ten aanzien van een belanghebbende uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan, die bij een belanghebbende gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Van dergelijke toezeggingen van de zijde van het Uwv is niet gebleken. De Raad onderschrijft wat de rechtbank daarover in 2.7 van de aangevallen uitspraak heeft overwogen.
4.5. Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient, zij het met aanvulling van gronden, te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2012.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) Z. Karekezi.
JL