ECLI:NL:CRVB:2012:BW1002
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende kracht bijstand op grond van bijzondere omstandigheden
Appellante en haar partner hebben bijstand aangevraagd met ingang van 22 juni 2008 nadat de Ziektewet-uitkering van haar partner stopte. De commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda kende bijstand toe vanaf 11 november 2008 en wees de aanvraag voor de periode daarvoor af. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende aandacht voor de gezinssituatie, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij door bijzondere omstandigheden niet eerder een aanvraag kon indienen.
In hoger beroep voert appellante aan dat zij vanwege gezinsomstandigheden en medische problemen van haar kinderen niet eerder een aanvraag kon doen en dat zij onterecht niet wist dat zij bijstand kon aanvragen in afwachting van een WIA-beslissing. De Raad overweegt dat bijstand in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt verleend, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
De Raad stelt vast dat appellante geen medische gegevens heeft overgelegd die haar stelling ondersteunen en dat zij niet is verschenen om nadere toelichting te geven. Bovendien was zij voorzien van professionele rechtsbijstand die haar adviseerde bijstand aan te vragen. De Raad concludeert dat er geen grond is om af te wijken van de hoofdregel en bevestigt het oordeel van de rechtbank dat bijstand niet met terugwerkende kracht vanaf 22 juni 2008 wordt toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de bijstand wordt niet met terugwerkende kracht toegekend vanaf 22 juni 2008.