ECLI:NL:CRVB:2012:BW1266

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 april 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-6224 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 WWBArt. 10 BW Boek 1Art. 11 BW Boek 1Art. 1:10 BW Boek 1
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand wegens onvoldoende bewijs woonplaats

Appellant diende op 17 januari 2011 een aanvraag in voor bijzondere bijstand bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Deze aanvraag werd op 18 januari 2011 afgewezen omdat appellant niet woonachtig zou zijn in de gemeente. Het bezwaar tegen dit besluit werd op 3 mei 2011 ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond.

In hoger beroep stelde appellant dat hij wel woonplaats had in de gemeente, maar kon dit niet aannemelijk maken. De Raad overwoog dat op grond van artikel 40 WWB Pro recht op bijstand bestaat in de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft, conform de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek. Appellant gaf aan zonder woonadres te zijn en stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) op een adres in een andere gemeente, waarvan hij stelde dat dit niet zijn woonstede was.

De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde dat hij daadwerkelijk woonplaats had in de gemeente. De omstandigheid dat correspondentie naar het kantooradres van zijn gemachtigde kon worden gestuurd, was onvoldoende om zijn woonplaats aan te nemen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijzondere bijstand bevestigd.

Uitspraak

11/6224 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 september 2011, 11/2854 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 10 april 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2012. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. van Golberdinge.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft op 17 januari 2011 op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend. Bij besluit van 18 januari 2011 heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet in [woonplaats] woont.
1.2. Bij besluit van 3 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 januari 2011 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat niet bekend is waar appellant woont en/of verblijft en dat het college daarom niet kan beoordelen of appellant voor bijstand in aanmerking komt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens artikel 1:10, eerste lid, van het BW bevindt de woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede, en bij gebreke van een woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.
4.2. Het gaat in dit geding om een afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 juli 2011, LJN BR3093, moet de aanvrager in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van de aanvraag. Dat betekent onder meer dat appellant aannemelijk moet maken dat hij ten tijde hier van belang, 17 en 18 januari 2008, woonplaats heeft in [woonplaats].
4.3. Appellant heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Van belang is daarbij dat appellant bij de aanvraag te kennen heeft gegeven dat hij momenteel zonder woonadres is en dat hij ten tijde hier van belang in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) stond ingeschreven op een adres in [naam gemeente]. Appellant heeft gesteld dat het GBA-adres in [naam gemeente] niet zijn woonstede betreft, omdat hij daar niet woont, niet slaapt en zijn zaken niet behartigt. Evenmin bevindt zich daar “zijn zetel van fortuin”. Deze stellingen heeft appellant niet onderbouwd. Hij heeft er voorts op gewezen dat op het uittreksel van de GBA de waarschuwing “Persoon is vertrokken” staat vermeld. Anders dan appellant aanvoert, betekent die waarschuwing echter niet dat appellant niet werkelijk in [naam gemeente] verblijft. Die waarschuwing heeft immers betrekking op [woonplaats] en niet op [naam gemeente]. Verder heeft appellant gesteld dat [woonplaats] heeft te gelden als de plaats van zijn werkelijk verblijf. Deze stelling heeft appellant evenmin voldoende onderbouwd. Appellant heeft bij zijn aanvraag weliswaar te kennen gegeven dat het college het besluit tot toekenning van de bijzondere bijstand en eventuele aanvullende verzoeken om informatie kan sturen naar het kantooradres van zijn gemachtigde. Die omstandigheid is evenwel onvoldoende om aan te nemen dat appellant werkelijk in [woonplaats] verblijft.
4.4. Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2012.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) J.M. Tason Avila.
HD