ECLI:NL:CRVB:2012:BW1275
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet opgegeven vermogen en inkomsten
Appellanten ontvingen bijstand vanaf 14 september 2001 tot 1 oktober 2007. Na een heronderzoek door de Afdeling Fraudebestrijding van de gemeente Oosterhout bleek dat appellanten aanzienlijke geldstortingen op hun bankrekeningen hadden gedaan, rekeningen niet hadden opgegeven, en inkomsten uit verhuur en verkoop van sieraden, een auto en een caravan niet hadden gemeld. Het college besloot daarom de bijstand over die periode in te trekken en de kosten van bijstand van € 100.896,67 terug te vorderen.
Appellanten voerden in hoger beroep aan dat zij slechts gebruiker waren van de auto, dat de opbrengst van sieraden niet hoefde te worden gemeld omdat het totale vermogen negatief was, en dat het niet melden van kasstortingen niet automatisch het recht op bijstand uitsluit. De Raad oordeelde dat het kentekenbewijs op naam van appellant de auto tot zijn vermogen rekent, dat het niet melden van opbrengsten het college de mogelijkheid tot beoordeling ontnam, en dat de herkomst van kasstortingen niet inzichtelijk was gemaakt met objectiveerbare bewijzen.
De Raad bevestigde dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen op grond van artikel 54, derde lid, WWB. Ook zag de Raad geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.