ECLI:NL:CRVB:2012:BW1757
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds december 1989 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van een anonieme melding dat zij al circa 13 jaar samenwoonde met een politieagent, voerde de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek uit. Dit onderzoek bestond uit dossieronderzoek, waarnemingen op twee adressen en het horen van buurtbewoners en betrokkenen. De bevindingen leidden tot de conclusie dat appellante en haar partner vanaf 1 juli 1999 een gezamenlijke huishouding voeren.
De Svb beëindigde daarop de uitkering met ingang van 1 augustus 1999 en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat het bewijs onvoldoende was, dat het buurtonderzoek onrechtmatig was omdat er geen toestemming van de Officier van Justitie was en dat de trage reactie van de Svb onredelijk was.
De Raad oordeelde dat het bewijs, waaronder verklaringen van de partner, de zoon en buurtbewoners, voldoende objectief was om de gezamenlijke huishouding aan te nemen. Het buurtonderzoek was niet ontoelaatbaar zonder toestemming van de Officier van Justitie. Ook was de duur van het onderzoek en de besluitvorming niet onredelijk. De Raad bevestigde daarom het besluit tot beëindiging van de nabestaandenuitkering met ingang van 1 augustus 1999.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de nabestaandenuitkering met ingang van 1 augustus 1999 wegens gezamenlijke huishouding.