ECLI:NL:CRVB:2012:BW3754

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 april 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-1673 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9, tweede lid, WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontheffing sollicitatieplicht voor maximaal één jaar bij beperkingen

Appellant ontvangt bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en was ontheven van de actieve sollicitatieplicht tot 30 mei 2009. Na een medische keuring werd opnieuw ontheffing verleend tot 14 juli 2010, met de verplichting deel te nemen aan sociale activering van maximaal zes uur per week.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de ontheffing langer dan één jaar had moeten duren, omdat zijn beperkingen blijvend zouden zijn. De Raad oordeelde dat het advies van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige voldoende aanknopingspunten biedt dat binnen een jaar verbetering mogelijk is, mede door een voorgesteld bewegingstraject en taallessen.

Appellant voerde aan niet te kunnen deelnemen aan het bewegingstraject vanwege pijnklachten, maar dit werd niet onderbouwd met medische stukken. De Raad achtte het oordeel van de verzekeringsarts juist dat appellant belastbaar is voor sociale activering onder deskundige begeleiding.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en ontheffing sollicitatieplicht voor maximaal één jaar bevestigd.

Uitspraak

10/1673 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 februari 2010, 09/5109 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 24 april 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.J.G. Tijhuis, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 13 maart 2012, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontvangt sinds 17 april 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Hij was met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de WWB tot 30 mei 2009 ontheven van de actieve sollicitatieplicht.
1.2. Bij besluit van 2 juni 2009 heeft het college appellant, in afwachting van een medische keuring, opnieuw ontheven van de actieve sollicitatieplicht. Op 14 juli 2009 is appellant gezien door zowel de verzekeringsarts als de arbeidsdeskundige. Volgens de daarvan opgemaakte rapportage is appellant door zijn huidige psychische en lichamelijke klachten voorlopig niet in staat tot reguliere arbeid. Wel wordt hij belastbaar geacht voor sociale activering gedurende zes uur per week. Deze sociale activering kan volgens de arbeidsdeskundige worden ingevuld door taallessen en een bewegingsactiviteit. Op basis van dit advies heeft het college bij besluit van 21 augustus 2009, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 september 2009 (bestreden besluit), aan appellant tot 14 juli 2010 ontheffing verleend van de verplichting om te solliciteren en appellant opgelegd om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op sociale activering voor maximaal zes uur per week.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij verwijst naar de aangevallen uitspraak voor de van belang zijnde wettelijke bepalingen.
4.1. Appellant stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende advies van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige moet leiden tot de conclusie dat aan hem langer dan één jaar ontheffing moet worden verleend van de actieve sollicitatieplicht.
4.2. Hierin kan appellant niet worden gevolgd. In het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende advies heeft de verzekeringsarts overwogen dat appellant door zijn huidige psychische en lichamelijke klachten voorlopig niet in staat is tot reguliere arbeid. Hij verwachtte daarin het eerste jaar nog weinig verandering. Wel wilde hij appellant over een jaar op zijn spreekuur terugzien om te bezien in hoeverre de medische situatie van appellant zich heeft gewijzigd, mede ten gevolge van het door de verzekeringsarts geadviseerde bewegingstraject. De verzekeringsarts verwachtte dat een dergelijk traject appellant goed zou doen. Uit de bewoordingen van het advies blijkt dat de verzekeringsarts de medische situatie van appellant niet zag als één waarin geen verandering meer mogelijk was. Ook de arbeidsdeskundige verwachtte dat door de bewegingsactiviteit een toename van vitaliteit en conditie ontstaat. Gelet op de weergegeven inhoud van het advies is de Raad, anders dan appellant, van oordeel dat dit advies voldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat aan appellant niet langer dan één jaar ontheffing wordt verleend van de actieve sollicitatieplicht.
4.3. Evenmin kan appellant worden gevolgd in zijn standpunt dat het volstrekt onrealistisch is dat zijn beperkingen binnen een jaar tot verbeteringen zouden leiden die enig zicht bieden op arbeidsinschakeling. De rechtbank heeft terecht overwogen dat met name de taallessen zouden kunnen leiden tot een beperktere achterstand op de arbeidsmarkt en heeft hieruit terecht de conclusie getrokken dat appellant na een jaar mogelijk niet meer voldoet aan de voorwaarden voor gehele ontheffing.
4.4. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij niet kan sporten door pijn in zijn rug, nek en knie en daarmee bestreden dat hij kan deelnemen aan het hem als voorziening aangeboden bewegingstraject. Daaruit begrijpt de Raad dat appellant van mening is dat aan hem ontheffing verleend had moeten worden van de verplichting om gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening. De enkele, niet met medische stukken onderbouwde, stelling van appellant is echter onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts. Deze achtte appellant ondanks zijn schouderklachten, ten gevolge waarvan hij forse beperkingen aannam in de rechter schouderfunctie, belastbaar voor drie keer twee uur per week activering, naast de al gevolgde taallessen. Van belang daarbij is ook dat de arbeidsdeskundige, juist vanwege de klachten van appellant, van mening was dat de bewegingsactiviteit moet plaatsvinden onder deskundige begeleiding.
5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2012.
(get.) E.J.M. Heijs.
(get.) R.L.G. Boot.
HD