ECLI:NL:CRVB:2012:BW4699

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3278 WAJONG-T
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 7:12 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over gedeeltelijke onverschuldigde terugvordering Wajong-uitkering

Appellante heeft een Wajong-uitkering aangevraagd en ontvangen, waarbij het UWV later een terugvordering instelde over de periode 1 mei 2008 tot 1 maart 2009 wegens te veel ontvangen voorschotten.

In hoger beroep stelde appellante dat het UWV onterecht tot terugvordering was overgegaan. De Raad constateerde dat het bezwaar van appellante eerder ongegrond was verklaard en het beroep bij rechtbank was afgewezen.

De Raad stelde vast dat het besluit van 21 februari 2011, waarin de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld, onherroepelijk is en dat het teruggevorderde bedrag slechts gedeeltelijk onverschuldigd is betaald. Echter beschikte de Raad niet over voldoende gegevens om het precieze onverschuldigde deel vast te stellen, mede omdat het UWV nagelaten had het juiste bedrag na verhoging van de uitkering per 30 oktober 2008 te bepalen.

Verder wees de Raad het standpunt van appellante af dat een aan de gemeente betaalbaar gesteld bedrag in mindering gebracht kon worden op de terugvordering, omdat dit bedrag betrekking had op een andere periode dan in geschil.

De Raad droeg het UWV op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen door het juiste onverschuldigde deel van de terugvordering vast te stellen, met inachtneming van de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid.

Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het gebrek in het terugvorderingsbesluit te herstellen door het onverschuldigd betaalde deel vast te stellen.

Uitspraak

10/3278 WAJONG-T
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
T U S S E N U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 april 2010, 09/1542 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 2 mei 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.F. van den Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2012. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante heeft op 20 december 2007 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd. Bij besluit van 16 mei 2008 heeft het Uwv per 1 mei 2008 een voorschot verleend, berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het Uwv heeft bij besluit van
26 februari 2009 per 30 oktober 2008 een uitkering toegekend, berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij besluit van 18 maart 2009 is over de periode van 1 mei 2008 tot 1 maart 2009 € 8.611,58 teruggevorderd, omdat door appellante in vergelijking met de toegekende uitkering te veel voorschot is ontvangen.
1.2. Het bezwaar van appellante is bij besluit van 24 juli 2009 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante het standpunt in genomen dat het Uwv in redelijkheid niet tot terugvordering heeft kunnen overgaan.
4. Bij besluit van 21 februari 2011 is het bezwaar tegen het besluit van 26 februari 2009 (alsnog) gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid per 30 oktober 2008 vastgesteld op 45 tot 55%. Bij brief van 29 juni 2011 heeft het Uwv meegedeeld dat appellante over de periode van 30 oktober 2008 tot 1 april 2011 recht heeft op een bruto nabetaling van € 3.080,46, waarvan € 963,14 wordt verrekend met de bijstandsuitkering. Bij brief van eveneens 29 juni 2011 heeft het Uwv de gemeente Deventer meegedeeld dat over de periode van 1 maart 2009 tot 1 maart 2011 een bedrag van € 1.031,07 betaalbaar is gesteld. Het Uwv heeft gesteld dat het besluit van 21 februari 2011 geen gevolgen heeft voor de terugvordering over de periode van 1 mei 2008 tot 1 maart 2009. Per abuis heeft geen verrekening plaatsgevonden met de nog openstaande terugvordering.
In reactie daarop heeft appellante gesteld dat het aan de gemeente betaalbaar gestelde bedrag van € 1.031,07 op het teruggevorderde bedrag in mindering moet worden gebracht, nu het Uwv de nabetaling per abuis niet met de terugvordering heeft verrekend.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1. Niet in geschil is dat het besluit van 21 februari 2011 in rechte onaantastbaar is. Uit dit besluit volgt dat het over de periode in geding (1 mei 2008 tot 1 maart 2009) teruggevorderde bedrag - achteraf bezien - slechts gedeeltelijk onverschuldigd is betaald.
5.2. Dit brengt mee dat het besluit van 24 juli 2009, waarbij het primaire terugvorderingsbesluit is gehandhaafd, geen stand houdt. De aangevallen uitspraak en - wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht - het besluit van
24 juli 2009 komen voor vernietiging in aanmerking. Het beroep tegen dit besluit dient gegrond te worden verklaard.
5.3. De Raad beschikt over onvoldoende gegevens om vast te stellen welk gedeelte van de terugvordering - rekening houdend met de mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% - onverschuldigd is betaald. Het Uwv heeft nagelaten naar aanleiding van de verhoging van de Wajong-uitkering per 30 oktober 2008 het juiste terugvorderingsbedrag over de periode in geding vast te stellen. De mededelingen bij brief van 29 juni 2011 volstaan daartoe niet, omdat deze geen betrekking hebben op de terugvordering, maar op de invordering. Het juiste terugvorderingsbedrag kan ook niet worden vastgesteld door het bedrag van de (bruto) nabetaling in mindering te brengen op het teruggevorderde bedrag € 8.611,58, aangezien de nabetaling betrekking heeft op een andere periode dan hier in geding.
5.4. Anders dan appellante meent, is er geen grond om het aan de gemeente betaalbaar gestelde bedrag van € 1.031,07 in mindering te brengen op het teruggevorderde bedrag. Het betaalbaar gestelde bedrag heeft immers betrekking op de periode van 1 maart 2009 tot 1 maart 2011, welke periode in de onderhavige procedure niet in geding is.
6. De Raad ziet aanleiding het Uwv met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Het Uwv dient hiertoe vast te stellen welk gedeelte van het teruggevorderde bedrag - gelet op de verhoging van de Wajong-uitkering per 30 oktober 2008 bij het besluit van 21 februari 2011 - onverschuldigd is betaald.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2012.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) I.J. Penning.
JL