ECLI:NL:CRVB:2012:BW4699
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- J.L.P.G. van Thiel
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over gedeeltelijke onverschuldigde terugvordering Wajong-uitkering
Appellante heeft een Wajong-uitkering aangevraagd en ontvangen, waarbij het UWV later een terugvordering instelde over de periode 1 mei 2008 tot 1 maart 2009 wegens te veel ontvangen voorschotten.
In hoger beroep stelde appellante dat het UWV onterecht tot terugvordering was overgegaan. De Raad constateerde dat het bezwaar van appellante eerder ongegrond was verklaard en het beroep bij rechtbank was afgewezen.
De Raad stelde vast dat het besluit van 21 februari 2011, waarin de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld, onherroepelijk is en dat het teruggevorderde bedrag slechts gedeeltelijk onverschuldigd is betaald. Echter beschikte de Raad niet over voldoende gegevens om het precieze onverschuldigde deel vast te stellen, mede omdat het UWV nagelaten had het juiste bedrag na verhoging van de uitkering per 30 oktober 2008 te bepalen.
Verder wees de Raad het standpunt van appellante af dat een aan de gemeente betaalbaar gesteld bedrag in mindering gebracht kon worden op de terugvordering, omdat dit bedrag betrekking had op een andere periode dan in geschil.
De Raad droeg het UWV op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen door het juiste onverschuldigde deel van de terugvordering vast te stellen, met inachtneming van de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het gebrek in het terugvorderingsbesluit te herstellen door het onverschuldigd betaalde deel vast te stellen.