ECLI:NL:CRVB:2012:BW5106
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens te hoog vermogen ondanks eerdere intrekking
Appellant ontving vanaf 2000 bijstand, die in 2006 werd ingetrokken omdat hij beschikte over voldoende middelen, waaronder een levensverzekering en aflossing van zijn hypotheek. Een eerdere uitspraak van de Raad verklaarde dit besluit onaantastbaar. In 2008 vroeg appellant opnieuw bijstand aan, maar dit werd afgewezen vanwege een te hoog vermogen, met name een overwaarde van de woning zonder hypotheek. Het college stelde dat appellant het vermogen te gelde moest maken of bezwaren.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de eerdere leenovereenkomst ten bedrage van € 20.000,-- op grond van dwaling vernietigd was en dat hij recht had op leenbijstand. De Raad oordeelde dat herziening van de eerdere uitspraak niet mogelijk is en dat het college terecht van appellant mocht verlangen zijn woning te bezwaren. Wel erkende de Raad dat appellant aannemelijk had gemaakt dat het verkrijgen van een hypotheeklening onmogelijk was vanwege het ontbreken van inkomen.
De primaire grondslag van het besluit faalde daardoor in motivering, maar het college baseerde het besluit ook subsidiair op het niet nakomen van de inlichtingenplicht. Appellant had onvoldoende informatie verstrekt over zijn financiële situatie en activiteiten, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De Raad verklaarde het beroep ongegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, en veroordeelde het college in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt ongegrond verklaard en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.