ECLI:NL:CRVB:2012:BW5746
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- T.L. de Vries
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Beoordeling werknemerschap en gezagsverhouding bij bedrijfsleider in failliete vennootschap
Appellant heeft werkzaamheden verricht voor een vennootschap die failliet is verklaard en verzocht het Uwv om overname van de betalingsverplichting onder de WW. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat er geen gezagsverhouding bestond tussen appellant en de vennootschap. In hoger beroep stelde appellant dat hij als bedrijfsleider in dienst was, een arbeidsovereenkomst had, normaal loon ontving en geen ondernemersrisico liep.
De Centrale Raad van Beroep toetste of sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking volgens artikel 7:610 BW Pro, waarbij persoonlijk werk, loon en gezag centraal staan. De Raad concludeerde dat appellant na overdracht van zijn eenmansbedrijf de feitelijke leiding behield en dat de vennootschap geen wijzigingen in gezagsstructuur had doorgevoerd. De enige aandeelhouder, administratief medewerkster zonder branchekennis, oefende geen gezag uit.
De Raad vond geen aanwijzingen voor een gezagsverhouding, ook niet door het feit dat appellant ontslagen kon worden. Het feit dat het Uwv premies had ontvangen was volgens vaste rechtspraak niet doorslaggevend voor werknemerschap. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat appellant niet als werknemer in dienstbetrekking stond en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat appellant geen werknemer was vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding.