ECLI:NL:CRVB:2012:BW5821

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-5110 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:11 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens overschrijding bezwaartermijn WW

Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV waarin een bedrag van €4.122,30 werd teruggevorderd wegens onverschuldigde WW-voorschotten. Hij diende het bezwaar in op 20 oktober 2010 en gaf aan de gronden vóór 24 november 2010 te zullen indienen. Het UWV stelde een termijn van vier weken voor het indienen van de bezwaarschriftengronden en wees appellant op de gevolgen van niet-tijdige indiening.

Appellant diende de gronden uiteindelijk pas op 2 december 2010 in, na een telefonisch contact op 1 december waarin volgens appellant uitstel was verleend. Dit uitstel kon appellant echter niet aantonen en bleek niet uit de telefoonnotitie. De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn en wees het beroep af.

In hoger beroep stelde appellant dat het bezwaar nog niet in behandeling was genomen en dat de termijn niet fataal was. De Raad stelde vast dat het UWV terecht een fatale termijn had gesteld en appellant was gewezen op de gevolgen. Er waren geen omstandigheden die de overschrijding rechtvaardigden. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard.

Uitkomst: Het bezwaar van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder geldige reden of uitstel.

Uitspraak

11/5110 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 juli 2011, 10/5555 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 9 mei 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft J.W.C. van Krugten RB hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2012. Appellant en Van Krugten zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft bij brief van 20 oktober 2010 bezwaar gemaakt tegen een besluit van het Uwv van 12 oktober 2010, waarbij het Uwv van hem een bedrag van € 4.122,30 heeft teruggevorderd aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde voorschotten op grond van de Werkloosheidswet (WW). Appellant heeft in zijn brief van 20 oktober 2010 meegedeeld dat het bezwaar vóór 24 november 2010 zal worden toegelicht.
1.2. Bij brief van 26 oktober 2010 heeft het Uwv appellant in de gelegenheid gesteld om de gronden van het bezwaar binnen vier weken in te dienen. Appellant is erop gewezen dat de termijn niet kan worden verlengd en dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard als hij niet tijdig reageert.
1.3. Op 1 december 2010 heeft een medewerkster van het kantoor van de gemachtigde van appellant het Uwv telefonisch gemeld dat de gronden op korte termijn zouden worden ingediend. Bij brief van 2 december 2010 is dat gebeurd. Bij besluit van 2 december 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de gronden van het bezwaar niet binnen vier weken na de brief van 26 oktober 2010 zijn ingediend.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog in zijn uitspraak onder meer:
“De rechtbank stelt […] vast dat binnen de hersteltermijn geen gronden van bezwaar en ook geen verzoek om uitstel is ingediend. Het door de gemachtigde van eiser gedane verzoek om uitstel heeft plaatsgevonden buiten de hersteltermijn. De rechtbank is niet gebleken en door verweerder is betwist dat is ingestemd met dit verzoek om uitstel.
De rechtbank staat voor de vraag of verweerder terecht heeft besloten dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid waardoor de overschrijding van de hersteltermijn redelijkerwijs niet aan eiser kan worden tegengeworpen.
Eiser heeft geen reden en daarmee geen rechtvaardiging voor het niet indienen van de gronden van bezwaar gegeven. Er is dan ook geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht die in de weg zou staan aan niet-ontvankelijkverklaring.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid tot zijn standpunt heeft kunnen komen en het bestreden besluit in rechte stand kan houden.”
3. Appellant heeft er in hoger beroep op gewezen dat zijn bezwaarschrift op 2 december 2010 nog niet in behandeling was genomen. Daarom is volgens appellant niet in te zien dat er geen stukken meer konden worden ingediend, te minder omdat er volgens hem geen sprake was van een fatale termijn.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Het Uwv heeft appellant in de brief van 26 oktober 2010 een als fataal bedoelde termijn gesteld om de gronden van zijn bezwaar in te dienen. Hij is daarbij gewezen op de gevolgen van het niet tijdig indienen van de gronden. Dat het Uwv appellant in het op 1 december 2010 gevoerde telefoongesprek nader uitstel heeft verleend voor het indienen van de gronden blijkt niet uit de telefoonnotitie die van dat gesprek is opgemaakt. Ter zitting van de Raad heeft appellant desgevraagd verklaard niet te kunnen aantonen dat hem een dergelijk uitstel is verleend. Voorts heeft hij geen omstandigheden genoemd die de termijnoverschrijding zouden kunnen rechtvaardigen. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit en de overwegingen waarop dit is gebaseerd. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2012.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) K.E. Haan.
TM