ECLI:NL:CRVB:2012:BW5837
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na voortijdig ontslag zonder schriftelijke arbeidsovereenkomst
Appellant nam ontslag bij werkgever 1 per 1 maart 2010 na een telefonische toezegging van werkgever 2 dat hij daar in dienst kon treden, zonder te wachten op een schriftelijke arbeidsovereenkomst. Werkgever 2 zag hierna alsnog af van de arbeidsovereenkomst. Appellant kon zijn ontslag niet meer terugdraaien en vroeg WW-uitkering aan.
Het Uwv weigerde de WW-uitkering over de periode van 1 maart tot 1 mei 2010 wegens verwijtbare werkloosheid en benadeling van het Algemeen werkloosheidsfonds. De rechtbank handhaafde dit besluit, maar de Raad vernietigde de uitspraak en oordeelde dat het nieuwe besluit van het Uwv terecht was.
De Raad stelde vast dat appellant redelijkerwijs had kunnen wachten op de schriftelijke bevestiging van werkgever 2 en dat er geen zodanige bezwaren waren om het dienstverband bij werkgever 1 voort te zetten. Van verminderde verwijtbaarheid was geen sprake. Het besluit tot volledige weigering van de WW-uitkering was in overeenstemming met het beleid en niet in strijd met het vertrouwensbeginsel.
De Raad veroordeelde het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellant en verklaarde het beroep tegen het nieuwe besluit van het Uwv ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het besluit van het Uwv tot weigering van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard.