ECLI:NL:CRVB:2012:BW6536
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding met broer
Appellant vroeg bijstand aan als alleenstaande, maar het college wees de aanvraag af omdat hij volgens hen een gezamenlijke huishouding voerde met zijn broer op hetzelfde adres. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat appellant en zijn broer hun hoofdverblijf op hetzelfde adres hadden en dat er sprake was van wederzijdse zorg. Dit bleek uit de financiële verstrengeling, gezamenlijke huishoudelijke activiteiten en de mate van verantwoordelijkheid die verder ging dan een zakelijke huurrelatie. Appellant kon niet aannemelijk maken dat de zorg voortkwam uit een zakelijke relatie.
De Raad vond de rapportage van het intakegesprek als voldoende betrouwbaar en oordeelde dat appellant onvoldoende concrete feiten had aangevoerd om de bevindingen te weerleggen. De aanvraag werd terecht afgewezen omdat aan de criteria van een gezamenlijke huishouding was voldaan.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag is terecht afgewezen wegens gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.