ECLI:NL:CRVB:2012:BW6538
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijstandsuitkering naar gehuwdennorm wegens ontbreken gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf 22 februari 2007 bijstand naar de gehuwdennorm samen met [M.], met wie zij op hetzelfde adres stond ingeschreven. In het kader van een handhavingsproject bracht de gemeente ’s-Gravenhage op 23 februari 2009 een onaangekondigd huisbezoek, gevolgd door een confrontatiegesprek en een tweede huisbezoek op 17 maart 2009. Op basis van deze onderzoeken besloot het college de bijstand op te schorten en later in te trekken, omdat werd vastgesteld dat [M.] geen hoofdverblijf had in de woning van appellante en zij geen gezamenlijke huishouding voerden.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de gegevens onrechtmatig waren verkregen wegens gebrek aan informed consent en dat zij de Nederlandse taal onvoldoende machtig was om haar verklaringen te begrijpen. De Raad oordeelde dat de toestemming voor het huisbezoek weloverwogen en op basis van volledige informatie was gegeven en dat appellante geen behoefte had aan een tolk. De verklaringen waren gedetailleerd en ondertekend.
De Raad stelde vast dat op grond van concrete feiten en omstandigheden, zoals het ontbreken van persoonlijke bezittingen en slaapplaats van [M.] in de woning en tegenstrijdige verklaringen, geen gezamenlijke huishouding bestond vanaf 23 februari 2009. Getuigenverklaringen van appellante konden dit niet weerleggen. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college heeft terecht de bijstand ingetrokken wegens het ontbreken van een gezamenlijke huishouding.