ECLI:NL:CRVB:2012:BW6835

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2582 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWBArt. 31 WWBArt. 34 WWB
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor notariskosten testamentaire voogdijregeling

Appellante verzocht bijzondere bijstand voor notariskosten die zij maakte voor het opstellen van een testamentaire regeling inzake de voogdij over haar dochter. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af omdat niet was gebleken dat deze kosten voortvloeiden uit bijzondere omstandigheden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond.

In hoger beroep stelde appellante dat het opstellen van het testament noodzakelijk was om te voorkomen dat de biologische vader het gezag over haar dochter zou krijgen na haar overlijden, en dat dit bijzondere omstandigheden opleverde die bijzondere bijstand rechtvaardigen. De Raad beoordeelde dit aan de hand van artikel 35 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB), waarin bijzondere bijstand wordt toegekend voor noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en niet uit het reguliere inkomen kunnen worden voldaan.

De Raad oordeelde dat notariskosten tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan behoren en in beginsel uit het inkomen moeten worden betaald. De enkele keuze van appellante om de voogdij via testament te regelen, zonder dat er een noodzaak uit het dossier bleek, vormt geen bijzondere omstandigheid. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Er werd geen aanleiding gezien om appellante te veroordelen in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 29 mei 2012.

Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor notariskosten wordt afgewezen wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

10/2582 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 maart 2010, 09/5736 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2012. Namens appellante is mr. Vreeswijk verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 16 juli 2009 heeft het college de aanvraag van appellante om bijzondere bijstand voor notariskosten afgewezen.
1.2. Bij besluit van 28 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 16 juli 2009 ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat niet is gebleken dat de notariskosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden die het verlenen van bijzondere bijstand rechtvaardigen. Appellante heeft bij de notaris een testamentaire regeling inzake voogdij laten opstellen toen haar dochter zestien jaar was geworden, omdat appellante niet wilde dat de biologische vader gezag of voogdij zou verkrijgen in geval appellante zou komen te overlijden. Appellante stelt zich op het standpunt dat er sprake is van bijzondere kosten omdat niet iedereen zich genoodzaakt ziet om bij de notaris de voogdij voor zijn of haar kinderen anders te regelen dan bij wet is bepaald.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald - voor zover hier van belang - dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid en artikel 34, tweede lid, van de WWB niet van toepassing zijn.
4.2. Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of deze kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.3. Notariskosten zijn kosten die gerekend worden tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.
4.4. De enkele stelling van appellante dat zij de voogdij voor haar dochter bij testament wilde regelen is onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van bijzondere omstandigheden. Het is een keuze van appellante geweest om in 2009 de voogdij van haar dochter bij testament te regelen. Uit het dossier blijkt echter niet dat er voor appellante in 2009 een noodzaak was om een testament te laten opstellen.
4.5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2012.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) R.L.G. Boot.
HD