ECLI:NL:CRVB:2012:BW6853
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- B.M. van Dun
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid arbeid na psychische klachten
Appellante was sinds 18 augustus 2003 in dienst als administratief medewerker en viel kort daarna uit wegens psychische klachten. Na beëindiging van het dienstverband werd haar ziekengeld toegekend, maar dit werd per 19 april 2004 beëindigd omdat zij weer geschikt werd geacht om te werken.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de beëindiging ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende inzichtelijk had gemotiveerd waarom appellante geschikt was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij nog steeds klachten had en dat de arts haar ten onrechte niet lichamelijk onderzocht had.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig was, ook zonder lichamelijk onderzoek, omdat zij werd bevraagd en onderzocht op het spreekuur en relevante medische stukken waren betrokken. De verklaringen van de psychiater waren onvoldoende om het oordeel van de arts te weerleggen.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werden geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld bevestigd.