ECLI:NL:CRVB:2012:BW6858
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- B.M. van Dun
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering en terugvordering onverschuldigd voorschot
Appellant, laatstelijk werkzaam als schoonmaker, meldde zich ziek in augustus 2006 en vroeg een WIA-uitkering aan. Na medisch onderzoek werd vastgesteld dat hij rug- en rompsparende werkzaamheden kon verrichten en dat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Het UWV weigerde daarom de WIA-uitkering en beëindigde de Ziektewet-uitkering.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en tegen de terugvordering van een onverschuldigd betaald voorschot. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij het oordeel van een door haar ingeschakelde revalidatiearts volgde die stelde dat appellant in staat was om de voorgelegde functies gemiddeld 40 uur per week te verrichten.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad volgde het deskundigenrapport van de rechtbankdeskundige en verwierp de door appellant ingebrachte medische rapporten, omdat deze niet relevant waren voor de betwiste data. Ook werd vastgesteld dat de terugvordering van het voorschot terecht was, omdat appellant geen onaanvaardbare consequenties aannemelijk had gemaakt.
De Raad wees het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelde appellant niet in de proceskosten. De bestreden besluiten blijven daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering en de terugvordering van het onverschuldigd betaalde voorschot.