ECLI:NL:CRVB:2012:BW6862

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-488 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:1 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken procesbelang bij WGA-uitkering

Appellante, werkzaam als adviseur particulieren, heeft een loongerelateerde WGA-uitkering gekregen wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Na bezwaar en beroep tegen dit besluit is de uitkering per 16 augustus 2010 beëindigd en is een loonaanvullingsuitkering toegekend. Appellante heeft geen IVA-uitkering aangevraagd en er is geen sprake van gevolgen door re-integratieverplichtingen.

De Raad beoordeelt of appellante voldoende procesbelang heeft bij het hoger beroep. Gezien het feit dat de loongerelateerde WGA-uitkering is beëindigd en appellante haar bezwaren bij de loonaanvullingsuitkering kon aanvoeren, is het nastreven van een ander resultaat in deze procedure feitelijk zonder betekenis.

De Raad constateert tevens dat appellante geen nieuwe objectieve medische gegevens heeft ingebracht die twijfel aan de eerdere conclusies rechtvaardigen. Daarom wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

11/488 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 23 december 2010, 09/121 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 30 mei 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.H.G. van der Leest, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2012. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante, voor 18 uur per week werkzaam als adviseur particulieren bij de [naam bank], heeft zich per 30 december 2005 ziek gemeld in verband met klachten van vermoeidheid, slapte, hoofdpijn en spierpijnen. Bij besluit van 6 augustus 2008 heeft het Uwv haar na afloop van de wachttijd een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend in de vorm van een loongerelateerde werkhervattingsuitkering (WGA) voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Daaraan ligt een onderzoek door een verzekeringsarts van het Uwv ten grondslag. De beperkingen van appellante zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 januari 2008. Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 augustus 2008, waarbij in de eerste plaats is gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten (van schouder, nek, armen, handen en polsen) en de beperkingen die zij daarvan ondervindt. In het kader van dit bewaar zijn diverse rapporten uitgebracht, waarin de bezwaarverzekeringsarts heeft gereageerd op de ingebrachte informatie van de behandelend sector. De bezwaararbeidsdeskundige heeft toelichting gegeven op de geduide functies en heeft het verlies aan verdiencapaciteit gesteld op 40,55%. Bij besluit van 15 januari 2009 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.
3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de informatie van internist dr. G.H. Schaap en van reumatoloog dr. B. Grillet. Appelante heeft verwezen naar de rapporten van Lechnerconsult. In hoger beroep heeft appellante een aanvullende rapportage overgelegd van Lechnerconsult en aanvullende informatie van reumatoloog Grillet.
3.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft gereageerd op de in hoger beroep ingebrachte informatie van de behandelend sector.
3.3. Ter zitting heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat appellante geen belang heeft bij het hoger beroep. Het Uwv heeft aangevoerd dat de in geding zijnde loongerelateerde WGA-uitkering per 16 augustus 2010 is beëindigd, terwijl appellante per die datum een loonaanvullingsuitkering (LAU) is toegekend, en appelante geen aanspraak heeft gemaakt op een uitkering ingevolge de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA). Dit blijkt onder meer uit het feit dat appellante in bezwaar heeft gesteld dat zij maximaal 12 uur per week kan werken. Het Uvw heeft er voorts op gewezen dat gedurende de looptijd van het recht op uitkering geen verandering heeft plaatsgevonden inzake de re-integratieverplichtingen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1. De Raad ziet zich geplaatst voor de vraag of appellante, nu het bestreden besluit betrekking heeft op de toekenning van een loongerelateerde WGA-uitkering, voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zoals neergelegd in de uitspraak van 24 november 2010, LJN BO4946, en de uitspraak van 15 april 2011, LJN BQ1755) is daarvoor bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.
4.2. De Raad overweegt dat de in geding zijnde loongerelateerde WGA-uitkering per 16 augustus 2010 is beëindigd en dat aan appellante per die datum een loonaanvullingsuitkering is toegekend. Appelante heeft tegen het besluit inzake de loonaanvullingsuitkering bezwaar kunnen maken en in het kader van die beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid alle relevant geachte medische en/of arbeidskundige bezwaren aan kunnen voeren, ook de bezwaren die in de onderhavige procedure zijn aangevoerd. Daarnaast stelt de Raad vast dat appelante geen aanspraak heeft gemaakt op een uitkering ingevolge de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten. Evenmin is gebleken dat appellante gedurende de looptijd van het recht op de loongerelateerde WGA-uitkering gevolgen heeft ondervonden als gevolg van (eventueel resterende) re-integratieverplichtingen.
4.3. Ten overvloede wijst de Raad erop dat appellante in hoger beroep evenmin als in beroep voldoende objectieve medische gegevens heeft ingebracht die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts getrokken conclusies.
4.4. De Raad is, gelet op hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2, van oordeel dat het resultaat dat appellante in deze procedure nastreeft, geen feitelijke betekenis voor haar kan hebben, nu haar beroep in de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid (naar 35 tot 80%) geen verandering brengt en zij haar restverdiencapaciteit bij de toekenning van de LAU-uitkering aan de orde kon stellen. Dit brengt met zich mee dat het hoger beroep van appellante vanwege het komen te ontvallen van het procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2012.
(get.) J. Riphagen.
(get.) K.E. Haan.
TM