ECLI:NL:CRVB:2012:BW7520
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening ouderdomspensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving vanaf augustus 2004 een ouderdomspensioen voor een ongehuwde. Naar aanleiding van een melding dat appellant samenwoonde met [R.] heeft de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek ingesteld. Dit leidde tot herziening van het pensioen over de periode augustus 2004 tot november 2008 naar het recht op pensioen voor iemand die een gezamenlijke huishouding voert, met terugvordering van te veel ontvangen pensioen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat er sprake was van een kostgangersrelatie en niet van wederzijdse zorg, onderbouwd met betalingen en verklaringen. Ook stelde hij dat verklaringen onrechtmatig verkregen waren en dat de strafzaak tegen hem was geseponeerd. Tevens stelde hij dat er dringende redenen waren om terugvordering te matigen.
De Raad oordeelde dat appellant en [R.] wel degelijk een gezamenlijke huishouding voerden, waarbij sprake was van wederzijdse zorg. De verklaringen van appellant zelf boden voldoende grondslag. De stelling van een zakelijke kostgangersrelatie werd verworpen. De strafrechtelijke beslissing was niet bindend voor de bestuursrechter. Dringende redenen voor matiging van terugvordering waren niet aannemelijk gemaakt.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening en terugvordering van het ouderdomspensioen worden bevestigd.