ECLI:NL:CRVB:2012:BW7668

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-4464 WW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55, vijfde lid, AwbArt. 21 BeroepswetArt. 4, eerste lid, Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2006
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens te late indiening gronden afgewezen

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Dordrecht, maar de Raad heeft het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden niet binnen de gestelde termijn van vier weken waren ingediend.

Appellant heeft vervolgens verzet aangetekend tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. De gemachtigde van appellant stelde dat er telefonisch contact was geweest met een medewerkster van de Raad die zou hebben uitgelegd hoe uitstel kon worden aangevraagd en dat een schriftelijk verzoek tot uitstel was ingediend binnen de termijn.

De Raad oordeelde echter dat de brief met het verzoek om uitstel pas na het verstrijken van de termijn was ingediend en dat geen sprake was van een daadwerkelijke toezegging van uitstel door de medewerkster. De procesregels schrijven voor dat een verzoek om termijnverlenging binnen de termijn moet worden gedaan. Er waren geen feiten of omstandigheden die het verzuim konden rechtvaardigen.

Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. De Raad zag geen aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van het verzet. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 4 juni 2012.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

11/4464 WW-V
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 8 juli 2011, 10/1164 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 4 juni 2012.
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 30 november 2011 heeft de Raad het namens appellant door mr. L. de Koning, fiscaal en juridisch adviseur, ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 30 november 2011 heeft mr. De Koning namens appellant verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 7 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Koning. Het Uwv is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 30 november 2011 berust op de overwegingen dat de gronden van het hoger beroep niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 10 oktober 2011 gestelde termijn van vier weken zijn ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat (de gemachtigde van) appellant niet in verzuim is geweest.
Naar aanleiding van de brief van 10 oktober 2011 heeft de gemachtigde van appellant de Raad bij brief van 16 november 2011, bij de Raad ingekomen op 18 november 2011, bericht dat partijen in onderhandeling zijn om tot een minnelijke regeling te komen en verzocht uitstel te verlenen voor het indienen van de gronden tot 1 april 2012.
De Raad stelt vast dat de brief van 16 november 2011 na het verstrijken van de bij de brief van 10 oktober 2011 gestelde termijn is verzonden.
In verzet heeft de gemachtigde van appellant naar voren gebracht dat hij op 21 oktober 2011 telefonisch contact heeft gehad met een met name genoemde medewerkster van (de griffie van) de Raad over de mogelijkheid van uitstel voor het indienen van de gronden. Daarbij heeft de betrokken medewerkster medegedeeld dat een verzoek om uitstel schriftelijk moet worden gedaan. Met de brief van 16 november 2011 is uitvoering gegeven aan de gemaakte afspraken. Alles is binnen de termijn gebeurd, aldus de gemachtigde van appellant.
Voor zover de gemachtigde van appellant met het voorgaande (tevens) heeft willen betogen dat de betrokken medewerkster uitstel zou hebben verleend voor het indienen van de gronden of zou hebben ingestemd met het doen van een verzoek daartoe na het verstrijken van de gestelde termijn, volgt de Raad dit niet. Uit de verklaring van de gemachtigde van appellant komt niet meer naar voren dan dat de betrokken medewerkster de gemachtigde heeft uitgelegd hoe moest worden gehandeld om uitstel te krijgen. In artikel 4, eerste lid, van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2006 is neergelegd dat een verzoek om verlenging van een gestelde termijn, moet worden gedaan binnen die termijn. In dat licht is niet aannemelijk - en in strijd met de bestaande werkinstructies - dat een medewerker van (de griffie van) de Raad met een partij een daarvan afwijkende afspraak zou maken.
Nu ook overigens niet is gebleken van feiten en omstandigheden die leiden tot het oordeel dat (de gemachtigde van) appellant niet in verzuim is geweest, betekent dit dat het verzet ongegrond moet worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en H.C.P. Venema en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2012.
(get.) T.G.M. Simons
(get.) D.W.M. Kaldenhoven
RH