ECLI:NL:CRVB:2012:BW7760

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-5421 WIA-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArtikel 21 BeroepswetAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens te late griffierechtbetaling ongegrond verklaard

Appellant heeft tegen een eerdere uitspraak van de Raad, waarin het hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late betaling van het griffierecht, verzet ingesteld. De Raad behandelde dit verzet op 7 mei 2012, waarbij appellant werd vertegenwoordigd door mr. V.H.B. ten Have. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) was niet aanwezig.

De Raad oordeelde dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald; de uiterste betaaldatum was 21 november 2011, terwijl betaling pas op 29 december 2011 plaatsvond. Hoewel de voormalige gemachtigde van appellant stelde niet op de hoogte te zijn gesteld van de griffierechtverplichting, stelde de Raad vast dat brieven hierover correct en tijdig aan het juiste adres waren verzonden en niet retour waren gekomen.

Hierdoor was er geen beletsel voor tijdige betaling en was er geen sprake van verzuimvrijstelling. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard. Het te laat betaalde griffierecht van €112,- wordt terugbetaald aan appellant. De Raad zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak werd op 4 juni 2012 in het openbaar gedaan door T.G.M. Simons.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring wegens te late griffierechtbetaling wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

11/5421 WIA-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 augustus 2011, 11/946 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 4 juni 2012.
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 9 december 2011 heeft de Raad het door mr. A.M. den Hollander, advocaat, namens appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van 9 december 2011 heeft mr. Den Hollander namens appellant verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 7 mei 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.H.B. ten Have, advocaat. Het Uwv is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 9 december 2011 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij brief van 24 oktober 2011 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In het verzetschrift heeft de voormalige gemachtigde van appellant erop gewezen dat het griffierecht op 29 december 2011 is betaald. De laatste dag waarop het griffierecht tijdig had kunnen worden betaald, is echter 21 november 2011.
Ter zitting heeft mr. Ten Have aangevoerd dat hij in het dossier geen brieven heeft aangetroffen waaruit blijkt dat (de voormalige gemachtigde van) appellant door de Raad is gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht.
De Raad stelt op grond van de gedingstukken vast dat de - aangetekend verzonden - brief van 24 oktober 2011, alsmede een eerdere door de Raad op 21 september 2011 per gewone post verzonden brief met betrekking tot de verschuldigdheid van het griffierecht, aan het - juiste - adres van de voormalige gemachtigde van appellant zijn verzonden. Aangezien deze brieven niet retour zijn ontvangen bij de Raad, gaat de Raad ervan uit dat zij de voormalige gemachtigde van appellant hebben bereikt. Daarin is dus geen beletsel voor tijdige voldoening van het griffierecht gelegen. Nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat (de voormalige gemachtigde van) appellant niet in verzuim is geweest, dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Het bedrag van het te laat betaalde griffierecht (€ 112,-) zal door de griffier van de Raad aan appellant worden terugbetaald.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2012.
(get.) T.G.M. Simons
(get.) D.W.M. Kaldenhoven
TM